HET EINDE
mouw, met bestudeerd-volwassen gebaar, dat duidelijk te kennen gaf: Hij hoort van mij, ik ben verloofd!
,,0 Lien, het lijkt wel een komedie-vertoning”, lachte Door.
,,Ja”, gaf Lien toe. ,,Je zoudt wel zeggen dat ze een voorstelling loopt te geven.”
,,De Verbijsterde Vrijer” of „Eindelijk Beet”, proestte ©oor.
Maar Anna vond dat ze te hatelijk waren.
Ineens verstomden de gesprekken, alle gezichten keerden zich naar de verte, vol spanning, alle ogen tuurden langs de zilverig glanzende rails. Het rommelde dof.... nog een heel eind ver verwijderd.... een siddering vervulde de lucht, lichtjes trilde de bodem.
,,De trein.... de trein.... ik heb hem gezien!” gilde Ma-rietje Siegenbeek ineens.
„Achteruit! Achteruit!” Met een gebiedende armzwaai duwde de beambte iedereen van de lage perronrand terug. Nader kwam het rommelen, zwol tot massief gedonder aan, dat zich dan weer in ratelen en rammelen en knarsen en piepen en nog velerlei ander geluid verdeelde. Tot een hoog zwart gevaarte zette de donkere massa zich uit, dat dreigend nabij-ijlde....
„Hij rijdt voorbij.... hij rijdt voorbij.... de machinist vergeet te stoppen!” gilde Daaf Schaap angstig, en Corrie Brons huilde half:
„Ho dan toch machinist.... ho dan toch conducteur...!” Hij stond al, hijgend, rammelend, als buiten adem. „Instappen.... vlug wat instappen asjeblieft....” Verwonderd keken de uitstappenden om de ongewone drukte. Er werd gezoend, vermaand, nog gauw even moed ingesproken.... handen gedrukt.... en dan stapten ze haastig in.
„Hier Nel.... je kunt hier nog bij.”
„Waar is Door? Waar is Let?”
„Dag Marie.... dag kind.... Kalmpjes maar aan, hoor! Niet zenuwachtig maken.”
277