DE KLAS VAN TWAALF
„Met hoevelen zit jullie?”
„Met vijf....”
„Neen, met zes....”
Hard klapten de portieren, een voor een, de wagens langs. De oude mevrouw van Zanten huilde in haar zakdoek. Haar man troostte haar, goedig lachend, zelf toch ook wel een beetje aangedaan. Nel zag het uit haar coupé. Ze strekte haar armen uit, lachte en huilde.... „Dag oudjes.... dag „aandoenlijke ouden”....”
De Siegenbeekjes vormden met de kinderen Schaap en Brons en de drie Kroontjes, een hele horde jeugdige wilden, onder aanvoering van Piet.
„Brullen, zeg, zo hard jullie kunnen, ais de trein dadelijk weg rijdt!”
Een bel.... een fluit.... een vervaarlijk gerammel en geknars.... uit drie, vier coupé’s de lachende meisjeshoofden, de handen, met de zakdoeken al klaar. Maar er gebeurde niemendal.
„Hij doet het niet....” gilde Door.
„Hij vertikt het....”
„Hij staakt....”
Een nieuwe poging.... een nog geweldiger rammelen en schudden en knarsen, ’t Was gelukt.... langzaam wentelden de wielen.... al sneller.... nog sneller...
De Indianen-horde brulde, zwaaide, sprong als mallen op en neer.... de volwassenen wuifden lachend als weergroet op de groet der wapperende zakdoeken.... arm in arm stonden de „aandoenlijke ouden”.... en alleen, op een afstand, stond Leida’s volontairtje en zwaaide met zijn hoedje, om de vijf seconden een deftige, zwierige zwaai, als een stokstijf automaatje in een keurig grijs pakje, tot de trein om de hoek was verdwenen....
278