HET EINDE
In een ogenblik hadden Lea en haar broertje met Corrie en Bart de pasgekomenen omringd.
„Wat schrijft moeder.... wat schrijft moeder...?”
„Goed nieuws! Moeder wordt sterker bij de dag. Het zal niet lang meer duren, of moeder komt thuis.”
„Hoera! Hoera!”
„Hier, neem de brief maar mee.’'
„Wat ziet Let er weer beeldig uit,” fluisterde Door tot Lien.
„Net een prinses.”
Anna, die het hoorde, moest lachen om de toon van kinderlijke bewondering. Maar ze vond het ook. Let was wel een echte dame. Het meeste dame van hen allemaal.... de enige eigenlijk.... Want Gien en Jeanne....
„Kijk, daar had je ze juist, met de beide moeders, samen in het rijtuig van de Abens gekomen.
„Wie is dat?” vroeg Nel’s grootmoeder, naar Jeanne knikkend.
„Dat is Jeanne Sixma, die kent u toch wel?”
„Wat is ze veranderd.”
Ja, nu zag Nel het ook. Jeanne was.... een oude vrijster, ineens, één dag van school af, en meteen een oude jongejuffrouw! Met haar bril en haar scherpe neus.
Gien leek vreselijk zenuwachtig, zag bleek, vloog van het ene groepje naar het andere, en begon telkens zo raar te lachen om niemendal.
Daar kwam ook Marie Mol, met haar ouders. De dikke glundere molenaar had een nieuwe zijden pet op, die wel een hoed leek, zo hoog, het magere moedertje heel deftig in het zwart. Zo klein als ze was, leek ze een kloek, die haar hulpeloos jong zo lang mogelijk onder haar beschermende vleugels houdt.
Anke arriveerde even later, met haar broer Frits. Die voegden zich dadelijk bij Let en haar troep, want Wim Wendelaar en Frits waren vrienden.
De drie kleine Kroontjes kwamen Tine uitgeleide doen. Voor het stationsgebouw hadden hun vader en hun aan-
275