HET EINDE
lijk, als bij afspraak.... Mijnheer Breebaart legde zijn stokje neer.... het was voorbij. Voor altijd voorbij. En in Lien een gevoel van spijt: zo vaak had ze zich voorgenomen, van dat allerlaatste uur de minuten te tellen, ze als kralen door haar vingers te laten glijden.... één weg.... twee weg... En nu heette reeds dat hele ongetelde snoer: verleden!
Ze brachten in de „ambtswoning” een vrolijke laatste avond door. Anna wilde nog blokken, maar Piet wist haar na een geweldige worsteling boeken en schriften afhandig te maken en mijnheer Siegenbeek borg ze achter slot en grendel. Er waren natuurlijk volop koekjes — ofschoon juist die dag de canapé het had afgelegd — en zelfs een laat broodje, oftewel souper. Bij wijze van tafel-decoratie lag dwars over het laken een brede strook papier, waarop Piet met zijn mooiste schoonschriftletters en vier kleuren inkt had geschreven: „Arm zijn we toch”, onder protest van Door, die dat helemaal niet vond, maar die de rode, groene, gele, blauwe krullen en bloemetjes wel erg bewonderde.
In de kamer, waar het inderdaad geheimzinnig naar appelen rook en waaruit je bij mooi weer tot de duinen kon kijken, praatten ze voor het open raam nog een tijdlang gedrieën over de voorbije jaren, tot het eindelijk stil in de „ambtswoning” werd. De volgende morgen scheen bleekjes de zon over de groene landen en lei frisse glans-jes over de klare, brede, kronkelende sloten, waar overal het goud van de dotters plekte.
„Zie jullie nu wel.... de duinen.... daar... daarginds!”
Ze stonden met de neuzen tegen het raam en tuurden, tuurden de verten door.... en ja.... die tere golvingen aan een bleke horizon... dat waren de duinen wel....
„Ons huis is het enige uit de hele stad, waaruit je op de duinen ziet,” zei Door vol trots.
Piet, die om half negen op zijn kantoor moest zijn, maar de meisjes met alle geweld wegbrengen wilde, joeg ze, geholpen door de tweelingen, zó verschrikkelijk op, dat
273
De Klas 18