HET EINDE
voelden er toch wel het verleden in, het licht en zorgeloos begin van wat nu was voorbij gegaan en zichzelf als klein-meisje. En toen het uit was, leek een scherm gedaald, een gordijn gesloten over dat voorbije. Maar Lien dacht ineens: ,,Dat zal ik nu altijd, altijd kunnen doen! En al word ik vijftig, al word ik zestig, zo vaak ik dit alles terug wil hebben, sluit ik mij in een kamertje op en dan zing ik van „Zeg ik hoor u altijd dromen....” en dan ben ik weer veertien, en het is zomer, en blauw liggen de sloten onder de blauwe hemel. Alles kan ik nu voor altijd houden, niets hoef ik ooit kwijt!”
„Wat hebben we eigenlijk nog meer in de eerste klas gezongen?”
Ze dachten even na.
„Gij bergen vaartwel!”
„Hojo, hojo, de wind steekt op!”
„Neen, toen zaten we al in de tweede. Dat weet ik zeker. Dat ruikt naar die lichte seringen bij Bergman boven de schutting.”
„Op der Alpen fiere kruinen....”
„Ja, laten we dat zingen...!”
Dat is de kersenpartij.... mijmerde Lea.... de kersenpartij bij Anke. En ze keek de gezichten langs, en ze vroeg zich af, wat nu de anderen voelden, dachten, zich herinnerden. Of zagen ze nu allemaal, als een scherp, duidelijk prentje, Anke’s tuin en de lange tafel met de kamper-foelieranken? Al dat zo lang voorbije....
„Mogen we nu zingen:
„Gij bergen vaartwel?”
„Jullie gaat je gang maar. Vecht het maar uit onder elkaar,” lachte de leraar.
Het was een liedje over „ruisende wouden” en „murmelende bronnen” —, over alles wat ze nooit gezien hadden en wat de meesten wel nooit zouden zien.... maar terwijl ze het zongen, leefde het toch voor hun ogen, in schemerige voorstellingen, vermengd met vluchtige beelden uit de tijd dat ze het voor het eerst gezongen hadden. Lien
269