DE KLAS VAN TWAALF
zag er kramen en spullen doorheen.... het was toen juist kermis geweest. Hoe gek....
„Ras stijgt, om weer opnieuw te schijnen” is óók uit de tweede klas,” zei Lea.
„Het laatste.”
„We worden nu in snel tempo ouder,” lachte mijnheer Breebaart.
„Wat hebben we ook het eerst in de derde gezongen?” Lien wist het wel. Het was: „Broeders laat ons samen leven”. En de meesten hadden het een laf liedje gevonden, akelig-godsdienstig, echt iets voor de catechisatie. Lien hield zelf ook niet van „catechisatie-liedjes”; ze vonden het bij haar thuis zelfs verkeerd, dat ze er zo weinig om gaf, zo zelden naar de kerk ging. Maar die dag, toen ze allemaal samen tweestemmig zongen van:
„Waarheid zoeken, liefdrijk handlen.
„God beminnen, deugdzaam wandlen „Heel ons aardse levenstijd......”
op die langzame, plechtige wijs, toen had ze zo’n vreemde rilling over haar achterhoofd en langs haar rug voelen gaan, en ze had dat allemaal, zó te zijn, zó te leven, toch wel prachtig gevonden. Ze was benieuwd of datzelfde nu weer zou komen, maar ze durfde niet vragen, het lied te mogen zingen —, mijnheer Breebaart zelf stelde het voor. „Het had zo’n moeilijke „tweede stem” —-, weet jullie nog wel?”
Ze zongen het lied en Anke wist dat haar gezicht rustig stond, terwijl ze zong, maar ze dacht.... wat is dat vreemd.... wat vreemd.... nu ben ik met de anderen... en toch heel alleen.... wat geen van de anderen weet, waar ik nu aan denk.... wat nu in mij leeft.... en zó’n pijn doet... dat ik het bijna niet uithouden kan.... Herbert.... Her-bert.... in die tijd is het begonnen.... zijn onverschilligheid.... en kort daarna is hij weggegaan.... heb ik alles verloren.... En ze was blij dat het lied uit was.... en iets van haar weer inslapen mocht, om slapend vergeten te leren.
270