HET EINDE
onwetens op iets gewacht, dat nu was gekomen. De reuk van de hyacinthen! En plotseling vond ze alles heerlijk. „Zeg Anna.... vind jij het niet enig, vanavond niet naar huis... slapen bij Door in de ambtswoning? Ze zegt dat je uit de kamer uitkijkt tot op de duinen, ze zegt dat het er altijd naar appels ruikt.... Jammer alleen dat morgenochtend niemand van thuis ons naar de trein kan brengen.” „We zullen geen tekort aan uitgeleide hebben,” glimlachte Anna.
„Hoe laat precies gaat de trein?”
„Acht uur veertien.”
Vreemd was dat, voor de laatste maal als leerling over het plein te drentelen. De laatste maal, de laatste maal! En Lien zocht er zich van te doordringen, zocht het zich bewust te worden, zocht het te proeven. Eenmaal.... dacht ze.... eenmaal zal ik mezelf zó zien lopen.... mezelf van nu.... eenmaal zal dit ook weer „verleden” heten, zal dit „lang geleden” zijn.... en ik zal mezelf zien, zoals ik straks mezelf zag van toen ik toelatingsexamen deed. De zon scheen.... ik droeg een groene jurk.... en mijnheer Adelink.... o, mijnheer Adelink.... Ze veegde gauw haar ogen af, want daar kwam Door naar ze toe.
„Ik ben nu jullie gastvrouw,” zei ze trots. „Heb jullie al tuinkers gegeten van ’t jaar?”
„Neen,” lachte Lien.
„Gelukkig. Ik was zo bang van wel. Jullie krijgt ze om twaalf uur op je brood. Met suiker en citroen. Smaakt precies als aardbeien. Piet heeft ze gezaaid.... in letters. Ja, in letters!” herhaalde ze en lachte geheimzinnig. Lien kreeg een kleur.
„In een L. en een D.!” vervolgde Door.
„Fout!” riep Lien. „Want ik heet P„ Paulien!”
„Wie zegt er dan dat jij het bent?” vroeg Door onnozel. „Flauw....” vond Lien, heftig blozend. Die malle Piet met zijn hofmakerijen de laatste tijd. Sinds die uitvoering van de turnvereniging. Toch wel een leuke jongen. Helemaal wel leuk, die logeerpartij. Wat zouden ze doen van-
265