DE KLAS VAN TWAALF
God Doet Alles En Bestuurt Fiks. G.D.A.E.B.Fis. Dat waren dan zeker de voornaamste „toonaarden”. Wie piano leerde, had het altijd veel gemakkelijker met die dingen.
Stil voortlopend naast Anna, die natuurlijk weer voor zichzelf plaatsnamen of jaartallen repeteerde — dat zag Lien duidelijk aan haar starende blik — proestte ze stilletjes om dat malle rijmpje. Door had het opgezegd bij mijnheer Blom op de Nederlandse Taalles. En mijnheer Blom had geschaterd en gezegd: O, dan weet ik ook een mooie ezelsbrug voor jullie! Een heel verhaal was het, waar alle klassen van sterke werkwoorden in voorkwamen.
„Hoeveel zijn er ook weer, Anna?”
„Wat?”
„Klassen van sterke werkwoorden?”
„Twee-en-twintig,” zei Anna prompt.
En Lien begon in zichzelf het ezelsbrug-verhaal. „Twee dieren dronken (drinken, dronk, gedronken) een fles jenever en stalen (stelen, stal, gestolen) toen een ham. In de krant las men (lezen, las, gelezen), dat ze een ruit hadden uitgesneden (snijden, sneed, gesneden). Een van hen had op zijn vervolgers geschoten, die ze bij zijn verwonding hadden achtergelaten....”
Gerechte Hemel, hoe kwam je ooit aan twee-en-twintig? Er was een heel gat in het verhaal, een heel gat in Liens geheugen. Ze wist nog maar enkel het slot: ze scheidden en riepen (roepen, riep, geroepen) elkaar een laatst vaarwel toe. Hoe ter wereld kwam je ooit aan twee-en twintig?
Kijk, nu waren toch nog de hyacinthen bij Kraus in bloei gegaan, de paarse althans barstten hun bladbekers uit, de witte bleven even achter. Ha.... ze had ze geroken.... ineens.... de heerlijke geur.... de allerheerlijkste geur van het bloemenjaar. De tulpen talmden nog.... die roken zoet.... een beetje stijfselachtig.... flauwtjes.... toch lekker. En Liens hart leek in haar borst te zwellen, als had ze
264