HOOFDSTUK XII
HET EINDEDE trein stond stil, de nichtjes stapten uit. Lien voelde een bons door haar borst: voor het ïaatst.... Zó sterk viel het op haar, dat ze roerloos bleef staan in de fijne motregen van de windstille, zoel-grijze voorjaarsdag. En ineens was het haar, als zag ze heel ver weg een klein meisje in de zon, onder een blauwe hemel, temidden van hyacinthen-reuk. En dat was allemaal vier jaar geleden en dat kind was zijzelf. En ze voelde zichzelf denken, haar eigen gedachten van vier jaar terug.... ze voelde zichzelf staren die verre toekomst in.... en nu was ze hier, aan het eind.... nu was die lange weg al afgelegd, nu was die verre toekomst „heden” geworden, en dit was weer een voorjaarsdag, een stille, grijze.... de allerlaatste dag. Ver weg in de nevels van motregen lagen de sloten, de weiden, niet zó stralend vol bloemen nog als toen, want de winter had lang geduurd dit jaar, en ginds, in de bocht, die blauwgrijze klomp, die leek in de nevel te zweven, de spoorbrug over het kanaal.
Alles hetzelfde en alles toch veranderd ook....
259