DE KLAS VAN TWAALF
„Heb jij misschien mijn kaartje, Lien?”
„Neen, kijk, alleen mijn eigen.”
Ze zag Anna in haar tasje frommelen, in haar beursje zoeken, en ze dacht.... ja, er is wel heel veel veranderd! Ze steunde niet langer op Anna —•, vaak steunde Anna op haar, ze leek soms zo moe van het voorbije verdriet. Werk had haar nooit kunnen vermoeien, maar angst en zorg hadden haar geschokt. Haar vader was genezen —, toch nooit weer de oude geworden. En aan haar vader had Anna haar kracht ontleend, aan haar bewondering voor hem, haar volgen van zijn voorbeeld. En toen hij, ziek en mismoedig, haar dat voorbeeld van volharding en ernst niet meer geven kon, toen was ook Anna haar steun een ogenblik kwijt geweest, toen was gebleken hoe ze eigenlijk nog helemaal niet was geweest, wat ze altijd had willen zijn: zichzelf. En ze had leren inzien, hoe weinig het beduidde, knap te zijn, een „bol” te heten, ze had leren begrijpen, dat eigenlijk Lien, in haar vallen en opstaan, veel meer dan zij „zichzelf” was geweest!
Achter de mensendrom schuifelden ze voetje voor voetje over de natte steentjes naar de controle toe. Het was heel druk, de jaarlijkse Paasmarkt van paarden en koeien werd juist die dag gehouden, uit de hele omtrek stroomden de boeren naar het stadje en de veedrijvers met hun knoeststokken in wijde, blauwe stijfgestreken kielen. Welgedane boerinnen in groen en bruin en paars, bloedkoralen om de stijve opstaande japonkragen gewonden, waren met haar mannen meegekomen. Haar gouden oorijzers blonken en straalden onder het fijne kantwerk der Zondagse mutsen en ze snoepten nu al uit zakjes, zo vroeg als het was; haar rokken schommelden in het langzame voortbewegen.
Anna en Lien lieten ze rustig voortgaan en passeerden eindelijk als laatste de controle.
„Alsjeblieft, Sattelmeyer,” zei Lien, haar kaartje overreikend.
De vriendelijke controleur met de blauwe jongensogen
260