DE STORM
huis lopen?” vroeg Lea, toen ze het ziekenhuis verlieten. Let keek een beetje verbaasd.
„Waarom wil je dat?” glimlachte ze.
,,Ik weet het zelf niet. Laten we het maar doen....”
Lea’s hart trok vaak naar de zachte smart van de weemoed, maar zelf wist ze dat niet.
Tussen de bewoonde huurhuizen stond het huis met de bruine deur verlaten en naakt met zijn flikkerende kale ramen. Een doffe plek op het glanzend paneel toonde de plek, waar tot voor kort de koperen naamplaat had gezeten. Ze kwamen dichterbij en bukten hun hoofden naar het raam en keken de verlaten kamers in. In de achterkamer bewoog iets, over een tafel stond een man gebogen. Lea schrok er even van.
„Wie zou dat zijn?”
„Een behanger! Kijk maar.... zijn stijfselpot staat naast hem. En daar liggen de rollen.”
„Zouden er al weer nieuwe mensen komen?”
257
De Klas 17