DE STORM
thuis. En zij.... alle dagen bij Wim.... wat een leven, wat een heerlijkheid.... haast niet te geloven.
Hoe stil was het nu in huis, hoe stil was het buiten, de natuur wonderbaarlijk kalm, eindelijk, eindelijk uitgeput na de vreselijke storm, die bijna drie etmalen had geduurd. Iets onheilspellend had die diepe stilte, als lagen al weer nieuwe gevaren op de loer —, zó waren de oren reeds aan het geraas gewend geraakt. Maar wie liep daar op blote voeten, midden in de nacht, over de gang? Het kwam naar haar deur en ze richtte zich op in bed. De deur ging open en een smalle, witte gedaante trad binnen. Corrie....
„Wat is er?” fluisterde Let, heel zacht, om moeder niet te wekken. Haar kamertje grensde aan moeders kamer en de deur stond open. Maar moeder sliep rustig op haar poedertje door.
„Ik kan niet slapen....” Het stemmetje was maar nauwelijks hoorbaar, verstikt van tranen.
„Kom dan maar gauw hier.” Ze maakte zich zo smal als ze kon in haar nauwe ledikantje. Het kind klom bij haar en drukte zich tegen haar aan.
„Wat is er.... waarom huil je zo?”
„Ik kan het niet zeggen.”
„Jawel, je kunt het wel zeggen.”
Ineens snikte Corrie het uit. Let voelde het hele lichaampje tegen zich schokken.
„Ik vind het zo naar voor vader.... ik geloof dat we allemaal blij zijn.... dat vader weg is.... en dat vind ik zo naar voor vader.... maar ik ben toch evengoed blij.... ik kan het niet helpen....”
Let zei maar niets; het kind verwachtte trouwens geen antwoord, had geen andere behoefte gehad dan dit zware, dat haar op het hart lag, tegen iemand te zeggen en daarna uit te huilen. Let liet haar rustig huilen.... tot ze eindelijk in slaap viel.....
Een paar dagen later viel er voor de buren niets meer te zien aan het huis met de bruine deur. Onder hun nieuws-
255