DE KLAS VAN TWAALF
af; daar was mevrouw Wendelaar weer, blijkbaar zeer onder de indruk. Wim keek zijn moeder aan, als zag hij haar voor het eerst. Ze leek een ander mens. Er lag gloed in haar ogen, een energieke trek om haar mond.
„Moeder gaat voorlopig naar het ziekenhuis hier. We zullen een mooie, zonnige kamer voor haar zien te krijgen. En mag ik dan het genoegen hebben....” Daar was de mondaine, afgemeten toon ineens weer terug, maar ze voelde dadelijk zelf hoe dat hier misklonk; ze viel zichzelf in de rede en zei eenvoudig:
,,En jij gaat met ons mee.... Wim heeft het je misschien al verteld....”
Ineens dacht Let aan de school.
„Hoe zou dat daarmee moeten?”
„Heel eenvoudig. Je bent maar tien minuten van de halte Oudveen af. Daar stapt mijn man cok in, als hij naar de stad moet.”
„Ik zou in elk geval op tijd examen willen doen.” „Natuurlijk! Jullie bent toch eigenlijk allebei nog maar kinderen.”
Het klonk een beetje scherp, althans afwijzend.
„Hoe bedoelt u?” vroeg Let argeloos. Maar ineens werd ze vuurrood. Alsof ze daaraan had gedacht!
„Ik bedoelde alleen, mevrouw, dat ik geen jaar verliezen wil. Dat ik mijn acte haal, staat in elk geval vast.”
Die nacht sliepen ze allemaal voor het laatst in het huis, waar ze zoveel leed en angst hadden geleden, maar waar ze toch altijd samen waren geweest. Nu zouden ze uitééngaan, om aller bestwil, zeker, maar ze gingen toch uiteen. Voor moeder was een mooie, ruime kamer in het ziekenhuis besproken.... en Let moest ineens denken aan mijnheer Adelink, die was nu juist een half jaar dood.... en daarna ging moeder naar Zwitserland, dat was nu bepaald, dat oordeelde de dokter ten slotte toch het beste. Wel ver.... ver zou moeder weg zijn.... maar veilig en goed verzorgd, in zon en zuivere lucht. Bart en Corrie bij Lea, dat was toch al zo lang voor allemaal een tweede
254