DE STORM
blik ontvangen. Ze leidde haar naar boven, naar haar moeders kamer, liet ze samen alleen en ging weer naar Wim terug.
„Zou je zin hebben bij ons in huis te komen een poos...?” Een gloed rees naar haar slapen, maar het kon immersl niet!
„En moeder dan...? En Corrie en Bart...?”
Hij aarzelde even, kwam dan dichter bij haar zitten en nam haar hand.
„Kindje.... je moeder mag hier niet blijven, in geen geval nu, met de winter voor de deur. De dokter wankelt nog tussen Davos of een sanatorium hier in het land....”
Haar lippen beefden.
„Moet moeder weg...?”
„Ze had al weg moeten zijn, al voor jaren, in haar eigen belang, in jullie aller belang. Maar het kon niet eerder. Nu kan het. Nu is het nog tijd. Nu geeft de dokter nog goede hoop!”
De tranen stroomden haar ogen uit.
„De twee anderen gaan natuurlijk naar Lea’s familie.” Ze wiste haar ogen af.
„Dat begrijp ik.... Maar Lea had altijd gedacht, als het ooit nodig zou zijn.... wij alle drie.”
En ze glimlachte even.
„Neen.... jij bij ons!” Hij trok haar naar zich toe. „Moeder zal het je zo dadelijk vragen.”
„Heeft ze dan nu niets meer tegen me?”
„Ze had nooit iets tegen jou. Ze kende je immers niet....” Let zweeg, het hoofd tegen zijn schouder. „Alles kan, nu vader weg is,” dacht ze. „Alles wordt goed, moeder zal genezen.” Een blijdschap vervulde haar, met het bitterst medelijden gemengd. De arme, wiens dood nauwelijks leegte, alleen verlossing bracht!
„Zuchtje zo, omdat je bij ons moet komen?”
„Neen, Wim, ik zucht om vader....”
Hij drukte even haar schouder, en zo zaten ze, stil. Boven werd zachtjes gelopen; stappen daalden de trap
253