DE KLAS VAN TWAALF
Let ineens deed opzien. Bart huilde. Als versteend bleef Let plotseling staan. Haar mond voelde droog tot in haar keel.
,,Wat.... is.... er...?”
„Moeder geeft bloed op....”
In een snik kwam het er uit. Sprakeloos zetten ze het tegelijk, als bij afspraak, op een draven, maar konden al gauw niet meer en gaven het hijgend op.
„Wie.... is.... bij.... moeder?” hakkelde Let; haar keel schrijnde en schroeide.
„O, de dokter, en tante Jet en oom Daaf.... ze zorgen voor alles.... Daaf was er toevallig.... en die is dadelijk de dokter en zijn vader en moeder gaan halen.”
„Hoe laat is het bericht gekomen.... van vader?”
„Een paar uur geleden. Vader is vannacht verdronken, met nog drie anderen....”
Ze zwegen even.
„Waar was vader.... wisten ze dat ook?”
„Midden in de branding.... in een reddingsboot....”
Weer zwegen ze, ademloos in de wind.
„Let,” begon dan Bart opnieuw, in de luwte na de vlaag. „Vind-jij het eigenlijk niet heerlijk voor vader.... dat hij nu toch.... zo mooi.... gestorven is...? In een reddingsboot....?” Hij kon niet verder, tranen kropten in zijn keel. Let sloeg de arm om hem heen, maar hij maakte zich gauw weer los.
„Laten we doorlopen, zeg, het is al zo laat.”
Zwijgend repten ze zich nu naar huis. Lea’s moeder maakte open.
„Zo kinderen....”
„Hoe is moeder...?”
„Veel rustiger, veel beter. De dokter heeft een poedertje gegeven. Ga maar gauw even naar haar toe, dat ze daarna dadelijk slapen kan. Slaap is nu het beste.... voor alles.... zegt de dokter....”
Boven lag moeder te bed, heel bleek, maar met een rustige uitdrukking op haar gezicht. Ze strekte de hand uit
248