DE STORM
„Wie.... o god.... wie...?”
„Je broertje.... Bart....”
Het deed bijna pijn in haar hoofd, zoals de heftige stroom van haar gedachten nu gewelddadig in de andere richting werden gedragen. Ze had het eerste moment aan Wim gedacht.... iets met Wim.... maar nu begreep ze.... er was iets anders, iets met vader. En even klemde om haar hart een zelfverwijt....
Bart stond op de mat, donker en druipend van vocht. Hij leek volwassen in moeders lange regenmantel, een doornat hoedje in de hand; hij zag doodsbleek, zijn ogen lagen als zwarte kolken in zijn als versmald gezicht.
„Ga gauw mee....” zei hij hees.... „Gauw mee naar huis. Er is bericht gekomen van het havenkantoor....” Hij wachtte even, en stootte het er dan ineens uit, ruw van bedwongen aandoening: „Vader is verdronken.”
Let had het al geweten, voor hij het zei. Er voer een huivering door haar lijf, in een duizeling leek haar hoofd leeg te lopen. Vaag drong praten achter de gesloten deur tot haar door. Mijnheer Siegenbeek kwam met haar mantel en muts. Hij had niet hoeven zoeken, hij had ze zoeven zelf aangenomen en apart gehouden; zwijgend hielp hij haar, drukte haar hand en die van Bart. Even later waren ze op weg naar huis.
Het regende nu niet meer, het leek helderder en kouder dan in de vooravond. Maar met onverminderde kracht bulderde de storm.
„De wind loopt om,” zei Bart dof.
Ze repten zich. De straten waren verlaten, het flakkerend lantaarnlicht vulde de plassen met onrustige schijnselen, uit winkels en woonhuizen viel rood en geel schijnsel over de natte keien uit en bekleedde ze als met vliezen van licht en donker goud.
„Hoe is moeder?” kon Let eindelijk vragen, maar Bart scheen het niet gehoord te hebben en Let herhaalde: „Hoe is moeder?”
Nog geen antwoord, enkel een klein, piepend geluid, dat
247