DE STORM
„Zullen we nu eens beginnen?” vroeg Piet, die als regisseur dienst zou doen, en daarbij ook nog het „schminken kapwerk” voor zijn rekening had genomen. „De kinderen beginnen ongeduldig te worden.”
„Ja.... ja.... we gaan beginnen....”
Elk ging nu alvast zo zitten, dat hij straks een goed uitzicht zou hebben op het toneel, en Piet schoof achter zich de suite-deuren dicht.
„Nog tien minuutjes geduld.”
In de warme kamer, onder het veelkleurige lampionnenschijnsel zaten ze nu in zwijgende verwachting. In de andere kamer werd druk heen en weer gelopen, dingen verschoven, gedempt gefluisterd. Verschrikkelijk ging buiten de wind te keer, het hele huis leek bijwijlen te dreunen.
„Straks, toen we hierheen kwamen, lag er bij Ebmeyer op de stationsweg een omgewaaide boom dwars over de stoep,” vertelde Lien, onwillekeurig fluisterend, als om de toebereidselen in de andere kamer niet te storen. ,, Hij was rakelings langs de etalage gegaan.
„En het kanaal leek wel een zee, zulke hoge golven,” vertelde Tine in dezelfde gedempte toon.
„Hoe kwam je bij het kanaal?”
„Ik kan toch niet anders hier komen dan over de lange brug?”
„O ja, dat is waar.”
En weer zwegen ze; de vrolijkheid leek plotseling heen. De ramen rammelden onder de stoten van rukwind en slagregen.
„Daar gaat een dakpan!” schrok Door.
„Je voelt de tocht door de naden.”
„En de kachel staat gloeiend rood.”
Plotseling schrokken ze allemaal op. Er werd gebeld. Als door iemand die haast had, die op de hielen werd gezeten, zó werd er aan de bel gerukt, dat het huis ervan leek te dreunen.
„Wie kan dat zijn...?” fluisterde Door.
245