DE KLAS VAN TWAALF
heidsstuk geschreven, dat ontzaglijk geestig moest zijn. Nel was, voor het oog althans, weer helemaal de oude. Wel lokten en bestormden haar de grote, nieuwe dingen van het leven machtiger dan ooit, maar ze was bezig het evenwicht te vinden tussen dat nieuwe en het gewone leven. De „aandoénlijke ouden” waren weer tevreden en gerust. Ze hadden van alles uit hun vele jaren bijeengebrachte inboedel voor de inrichting van de „ambtswoning” afgestaan. Toch was het er nog kaaltjes, het vorig huis zoveel kleiner, en daarbij bleek menig stuk de moeite van het overbrengen niet meer waard. Door stond dat juist allemaal lachend aan Gien Aben te vertellen.
,,’t Is zo’n gek gezicht,” zei ze. „Al die grote lege kamers. Maar toch dol-leuk ook! ’t Doet me soms even aan het Huis in de Wildernis denken!”
„Waar jullie die keer opgesloten hebt gezeten, jij en Nel? Hoe lang is dat eigenlijk al geleden?”
„Twee en een half jaar. Want het was zomer en we zaten in de tweede klas.”
„Bespottelijk, dat te koop lopen met je armoe,” zei Leida Verkruysen half luid tegen Jeanne Sixma. „Een beschaafd mens zou zo iets juist verbergen. Maar Door flapt het er maar uit. En dan precies tegen Gien.”
Ze waren op taboeretjes bij de ronde tafel gaan zitten; de kommen werden bijgezet. Nel en Door „bestierden” elk een reusachtige theepot —-, de lange Piet goochelde achtereenvolgens een half dozijn borden en schaaltjes met lekkers uit een hoekkastje bij het raam vandaan en zette ze met brede zwaaien op tafel neer.
„Dat is allemaal nog niets, nog niets!” fluisterde Door verrukt tegen Lien en Tine. „Straks.... o, jullie zult opkijken.... Een souper!”
Dat laatste woord klonk precies als werd het haar met geweld uit de mond getrokken. Inderdaad, ze had duizend eden gezworen, dat het tot het laatste ogenblik een verrassing blijven zou, maar ze kon het niet verzwijgen. Een souper, een echt souper, o, ze zouden eens zien!
240