DE STORM
„Gelukkig maar...” zuchtte Tine.
Hij lachte.
„Hier op het kanaal is geen gevaar, maar ginds.... in zee.” En hij knikte die richting uit.
„Vreselijk!” Ze huiverde en keerde er gauw haar gedachten van weg.
Hij betaalde de man in het huisje de twee centen tol en ze liepen nu weldra aan de overkant tussen de huizen. Daar voor ze uit schemerde al de witte gevel van de oude „polderschool”; vrolijk straalden de verlichte benedenramen van de „ambtwoning”.
„Ik zal even wachten om te horen hoe laat je gehaald moet worden.”
De goedige, lange Piet deed open.
„Ha, ben je daar! Dag, meneer Kroon. Hoe laat of de fuif afloopt? Tegen half twaalf, geloof ik.”
De deur woei hem haast uit de hand, het kaarsje in de donkerrode lampion, die tot ganglamp diende, flikkerde dreigend.
„Goed, dan zie je me tegen die tijd komen.”
„Geef gauw je mantel en je hoed. Ze zijn er al bijna allemaal. En het is zo gezellig, enig!”
Hij deed de deur voor haar open en Tine kwam een ruime kamer binnen, die uitsluitend door fleurige lampions was verlicht en waar een grote kachel rood-gloeiend snorde. „Sint-Maarten binnenshuis!” zei ze verrast.
Het was allergezelligst, en gevaar om over de meubelen te vallen bestond er allerminst. Want er was niet veel anders te bekennen dan in een hoek bij de kachel een grote ronde tafel met een veelkleurig geblokt kleed en daaromheen een allegaartje van alle mogelijke stoelen, stoven en taboeretjes. Op het bonte kleed een heel regiment blauwe en gebloemde boerenkommen. De suitedeuren stonden open en in de andere kamer was een poppekast-achtig toneel opgeslagen. Daar zou Door zo dadelijk haar talenten kunnen botvieren, want Nel had ter ere van de inwijding der .ambtswoning” een gelegen-
239