DE KLAS VAN TWAALF
ten, en als het dan later ook eenmaal gebeurd was.... Wat schreef vader terneergeslagen. Nu had moeder het ruim, nu noemde iedereen haar „mevrouw” —, maar het had niet veel geholpen. Driftvlagen en huilbuien, schreef vader, waren aan de orde van de dag. En tante Bertha was wel flink en goed, maar zo hard. En de dokter had gezegd.... wat was dat nu.... moeder een poos naar een sanatorium...? Ze liet de brief op tafel vallen en tuurde in de lamp. Een sanatorium.... een zenuwinrichting natuurlijk.... voorlopig een paar maanden.... och, lieve hemel.... lieve hemel! En nóg vroeg vader haar niet om weer terug te komen, hoewel ze tussen de regels duidelijk zijn verlangens las....
Ze schrok op, de muren beefden, het huis scheen op zijn grondvesten te schudden. Als donder gromde de wind. Ans had gelijk, het leek warempel haast een orkaan. „Wat zal ik doen?” weifelde ze.
„Gaan natuurlijk! Meteen regenjas aan en je leren hoed.” Even later waren ze op weg, onder de hoge, donkere, kreunende bomen, in de heftige wind, die telkens even stilde, dan weer opkwam, aanzwol, enige ogenblikken achtereen bleef razen en gillen en weer wegstierf met een haast metalig dreunen als van een sombere, geheimzinnige muziek. Uit snijdingen en stegen floot het fel en langgerekt; tuinpoortjes klapten; en er was een aanhoudend gekraak van takken. Hoog boven alles uit de jagende wolken.
„Laten we in het midden van de straat blijven lopen, er kon eens een dakpan afwaaien. Kijk, daar ligt er al een. En.... wil je me een arm geven?”
Hij vroeg het een beetje verlegen en keek haar niet aan. Ze stak, na even aarzelen, haar arm door de zijne en samen liepen ze zo verder.
„Als we nu Nora maar niet tegenkomen!” plaagde ze zachtjes.
„En waarom niet...? Hoorde je niet wat Keesje zei, zoeven?”
236