DE KLAS VAN TWAALF
Want de school stond aan de rand van de stad, naar de polderkant toe en alle kinderen uit de polder gingen er school en het was een oud gebouw en nogal tamelijk afgelegen, maar er hoorde een „ambtswoning” bij en achter die „ambtswoning” lag een verrukkelijke moestuin met overvloed van aardbeien en bessen en leibomen, die massa’s pruimen en perziken droegen ’s zomers en frambozen en zelfs hazelnoten. En de „ambtswoning” zelf was bijna zo ruim als de school! Elk zou er zijn eigen kamer krijgen. Piet, de oudste, die nu al lang van school was en op kantoor, en Door en de tweelingzusjes, elk zijn kamer, en een grote speelkamer voor samen, en een zolder waar je wel een bal geven kon. Je vroeg je af, wat voor huishouden dat eerste schoolhoofd moest hebben gehad, voor wie de ambtswoning was gebouwd.
Door leefde in de zevende hemel. Ze had niet veel begrip van geld en het inderdaad aanmerkelijk hogere inkomen van haar vader leek haar iets onuitputtelijks, een soort jaarlijks terugkerende zilvervloot. Ze had allerlei plannen, ze zouden altijd logees hebben en zo dikwijls mogelijk partijen geven. In het oude huis hadden ze geen logeerkamer gehad, hier natuurlijk wel, en het leek Door zo iets heerlijks om eindelijk eens echt logees te hebben, dat ze de hele klas al had gevraagd! Dat ze bijna allemaal in dezelfde stad woonden, vond ze helemaal geen beletsel. Voor de polderkinderen, die zo ver woonden, dat ze op school moesten overblijven, zou in de winter alle dagen een ketel hete melk worden gekookt; die stumpers hadden tot dusver ook maar op een droogje gezeten. Maar met „droogjes” was het nu uit, en de pret begon pas goed! Door praatte niet meer over „thuis”, of „naar huis”, of „ons huis” —-, maar enkel over „de ambtswoning”. Ze zei: „Bij ons in de ambtswoning”, of: „Ik zal het vragen in de ambtswoning”. Eens toen ze een schrift had vergeten, zei ze zonder erg tegen de baas: „O meneer, het zal in de ambtswoning liggen —” zó had ze het zich aangewend, en natuurlijk vermeldden de invitaties, dat de
234