ZUSTERVETE
minutenwijzer op de kerktoren maakte nog zelfs geen aanstalten, zich uit zijn luie liggen over de IX op te heffen. Hoe kwam het nu, vroeg Lien zich af, zo’n kwartier, dat je anders niet merkte en dat nu als een klomp lag op je borst, als een schroef zat om je keel. Soms huppelde de tijd.... en nu....
Het straatje was zonnig en leeg, maar op het kerkpleintje gaf een groepje uitgebloeide seringenstruiken wat schaduw. Het hek stond open, de gele klinkertjes fonkelden in de zon en daar stonden ze nu bij elkaar, alle twaalf, en hielden onafgebroken het oog gevestigd op de bruine deur in de verte, als mocht ze anders iets ontsnappen. Lien alleen keek van tijd tot tijd naar Nel en Door —, die stonden zo ver mogelijk van elkaar af, allebei doodsbleek, en nog geen woord hadden ze ook deze hele dag gewisseld.
En toch waren ze nu van hetzelfde vervuld! Gelukkig, dacht Lien dan weer, dat Anna’s vader niet zó vreselijk ziek meer was —, de dokter gaf weer hoop, daardoor had Anna nu ook de moed gehad, met de anderen mee hierheen te komen en zou ze zelfs, met Anke, daar dadelijk.... Tien minuten voor vijf.... Wat je in vijl minuten al niet denken kon. Eens nagaan.... wat was er ook weer geweest, toen de wijzer op kwart stond? O ja... ze had gedacht: wat ligt hij daar lui over die IX. En daar vandaan waren haar gedachten uitgevlogen naaf hier.... naar daar.... naar overal.... je schreef nog >n geen vijf uren op, wat je in vijf minuten kon denken....
,.Zouden we moeten wachten tot de klok geslagen heeft?’ fluisterde Marie Mol tot Leida Verkruysen, die naast haar stond.
Leida antwoordde niet, ze keerde zich om en barstte in tranen uit. Dat stak ook Marie en Gientje aan, maar Anke troostte ze. ,,Kom, misschien is het allemaal uitstekend afgelopen.”
Die bruine deur, die bruine deur, waar de zon in blonk als in teer zo diep.... en al die strakke ramen.... gelukkig
219