DE KLAS VAN TWAALF
nige ziekte; niemand had er ooit van gehoord. Maar ’s middags vertelde Lea Schaap dat de operatie de andere morgen reeds plaats zou hebben en dat ze dan ’s middags tegen vijven mochten komen horen hoe het was afgelopen. Haar vader was het van de Hoofd-diacones te weten gekomen. Maar ze moesten het verzwijgen voor de lagere klassen, want er mocht natuurlijk geen oploop zijn voor het ziekenhuis. Ze zouden zich op een afstand verdekt opstellen, achter de kerk of zo, de hele klas, en dan moesten er twee, Anke en Anna bijvoorbeeld, die zich het best beheersen konden, als het vijf uur sloeg gaan vragen, hoe de operatie afgelopen was.
En natuurlijk zou het goed afgelopen zijn. Vader zei het ook: operaties slaagden altijd, en mijnheer Adelink was zo sterk, al was hij bijna zeventig jaar. Ja, ja, het zou allemaal wel terecht komen, dat leek ze zo zeker nu ineens, in de stralende zon, en met overal rondom bloemen en groen en buiten de velden met het vlammend mosterdzaad, het gloeiend koren....
Het ziekenhuis lag in een stil straatje achter de oude Roomse Kerk; het was ook zelf heel oud. in vroeger eeuwen een klooster geweest, nu een Diaconessen-huis. Aan de straatzijde vertoonde het een lange, lage, witgekalkte gevel, met een brede, bruine deur en een hele rij ramen, waarvoor strakke, witte gordijnen h’ngeu. Jeanne kende een der diaconessen en wist dat daar de . usters-zitkamer was. Er waren ook koele, lange, blauw-gepla-veide gangen, alles heel oud, heel plechtig, heel kloosterachtig ■—, maar aan de achterkant lagen de nieuwe gedeelten, ziekenkamers en zalen en operatiekamers. En dan was er een binnenplaats, en een oude, oude tuin.... En daar ergens lag nu mijnheer Adelink, hun mijnheer Adelink. En de operatie was allang afgelopen en daarbinnen wisten ze nu al alles, alles, wat hun kloppende harten zo angstig verbeidden; maar zij moesten wachten, want „vijf uur precies” had de Hoofd-diacones gezegd en het was nog maar kwart en de rood-goud fonkelende
218