DE KLAS VAN TWAALF
den kennen en dan niets begrijpen van het tableau. Nu stonden ze er heel anders tegenover, nu klonk het van alle kanten, op een toon van blijde herkenning: ,,Kijk, Beethoven,” ,,De Beethoven-prent” —, en het was de mensen alsof ze oude kennissen voor zich zagen.
Na de eerste ogenblikken van verrassing en herkenning keerde zich de aandacht tot het tableau. Lea en Let zaten getroffen, zo mooi als het was van kleur, van licht, van stemming helemaal: geen moment deed het schildersatelier denken aan een even te voren geïmproviseerd toneel; de mensen zaten en stonden er in een zwijgende, volkomen intimiteit, in een natuurlijkheid van houding, die er het doodse van gewone tableaux-vivants aan ontnam. De violist, in zijn lange, donkere ouderwetse jas en lichte, wijde broek achter het spinet met de flauw-zichtbare vrouwenfiguren, had reeds zijn viool naar de kin geheven en in vrome afwachting zaten ze allen —, de man met de donkere baard en de opgetrokken knieën, het jonge blonde vrouwtje tegen zijn schouders geleund, de voorovergebogen zittende, en de met zijn handen in de zakken naast de hoeklamp staande figuur.... Tussen lamp en spinet het bleke Dodenmasker, alles overheersend, middelpunt waarop onwillekeurig elks blik gevestigd bleef, na eerste beschouwing.
Het was nu gaandeweg stil geworden in de zaal, vol spanning wachtten de mensen —, daar klonken de tere zilvertonen van het spinet en de violist zette de eerste der beide bekende Romancen in. Hoe andejrs klonk het, hoe anders vooral deed het aan, dan wanneer, nuchter voor het voetlicht, ditzelfde door piano en viool zou zijn ten gehore gebracht. Wat een schitterende inval was het geweest van Wim Wendelaar, dit hele arrangement.
Het was nu uit, maar niemand durfde te applaudisseren —, ademloos wachtten de mensen, en de violist zette de tweede romance in. Nauwelijks had hij geëindigd of het scherm daalde en een geweldig applaus barstte los —, het toneel werd weer zichtbaar, maar de figuren bleven
190