FEEST IN „DE WAAKZAAMHEID”
hond geleid, waren achtereenvolgens binnengekomen en hadden zich, bibberend en schurkend van de kou, om de gloeiende kachel geschaard. De oude zanger had bij elk wat opgehaald en zat in een hoekje zijn geld te tellen. „Zie je wel, wat een boel hij opgehaald heeft?”
,Ja, ze schijnen er nogal goed bij te zitten.”
De zanger had koffie en brood besteld, de „bollebof” haastte zich hem te bedienen.
„Kijk hem happen!”
„Misschien de hele dag niet gegeten.”
„En dan door weer en wind lopen sjouwen....”
„Hij is al zo oud ook....”
„Misschien wel tachtig. Laatst bij ons...”
Lea en Let hadden de grootste schik in de beide jongens, die zo volkomen opgingen in de vertoning.
Maar in de kroeg waren plotseling de gesprekken verstomd, en hoorde je alleen nog de jonge hardloper, die zijn levensgeschiedenis vertelde, een kleurig verhaal, vol avonturen tussen wonderlijke mensen, met beschrijvingen van vreemde landen, zo boeiend, dat de hele zaal ademloos luisterde. Niemand dacht zelfs aan applaus, en pas toen de „blinde” naar voren kwam en op de fluit ging spelen, begrepen de mensen, dat óók het voorafgaande een „nummer” was geweest. De orgelman begeleidde, en het klonk wonderlijk, maar heel móói. De toeschouwers hielden zich nu op hun qui vive en verzuimden niet te klappen toen het uit was. Een manke goochelaar met een dikke wang, die allerlei vreemde woorden verkeerd gebruikte en ze gek verhaspelde, dat de twee jongens achter Lea en Let zaten te brullen, vroeg nu de „bollebof” permissie om het gezelschap met zijn toeren te vermaken. Dat werd hem toegestaan en nu kwam de hoed voor de dag en er werden eieren en pannekoeken en gekleurde linten en ten slotte tien witte muizen voor de dag getoverd. De liedjeszanger had intussen zijn maal geëindigd, hij opende zijn oude tas en deelde onder het hele gezelschap liedjes rond. Hij zelf zette in en zong een paar
187