DE KLAS VAN TWAALF
zich op een bank tegen de muur. De „bollebof” kwam naar hem toe en vroeg „wat het wezen zou,” waarop de grijsaard met bevende stem bekende, dat hij geen cent op zak had. Maar als de baas wou goedvinden dat hij een paar liedjes ten beste gaf en daarna rondging met het centenbakje, kon hij misschien genoeg ophalen voor een kop koffie en een broodje. De „bollebof” keek vragend de tafeltjes langs —, de gasten knikten en mompelden, half-medelijdend, maar zetten zich toch tot luisteren. De heilsoldatin vouwde haar krantjes toe, het „onbezonnen meisje” nam een grote slok uit haar glas „bier” en de oude man trad naar voren, deed even of hij zich bedacht en begon te zingen.
Natuurlijk was het een jonge stem, een klankvolle, frisse mannenstem, maar zijn houding en gebaren waren helemaal van een afgeleefde grijsaard, en ook de omgeving hield de toeschouwers in stemming....
„Als hij nou maar flink wat ophaalt,” hoorde Lea achter zich een jongen van een jaar of veertien tegen zijn vriendje zeggen.
„Och, hoe kan dat nu. Die lui hebben immers zelf geen centen.”
„Moet je niet zeggen. Meer dan je denkt....”
Een „sst” bracht de knapen tot zwijgen. Lea en Let stootten elkaar aan —-, die waren erin, die twee!
De oude man was met zingen geëindigd, maar de mensen in de zaal waren zo sterk in de verbeelding dat hij het voor de „bollebof” en zijn gasten had gedaan, dat het enige ogenblikken duurde, eer het applaus begon. Het mooiste succes, meende Lea, dat ze zich wensen konden. Inmiddels was het in de kroeg gaandeweg al voller geworden. Een Italiaanse orgelman met een rood ceintuur en een geweldige flambard, zijn orgeltje aan een riem voor zijn buik, een bleke, jonge landloper, onder zijn openhangend schunnig jasje een van zilverlovers fonkelend vleeskleurig tricot, zó van de kermis terug, een koopvrouw met een bonte hoofddoek, en een blinde, door zijn
186