DE KLAS VAN TWAALF
„Nut” was komen spreken en hun leeraar, mijnheer Blom, tot het comité van ontvangst had behoord ■—, maar dat hadden Lea en Let alleen van horen zeggen, dat was vóór hun tijd gebeurd.
Vooraan in de vestibule zat een man aan een tafeltje, die elke kaart bekeek, er een stukje afscheurde en weer terug gaf. Hij had het druk, het was een heel gedrang om zijn tafeltje heen. Je kocht er ook een programma, en omdat iedereen dat deed en omdat iedereen dan een gulden neerlegde, zonder geld terug te vragen, duwde Lea gauw haar vriendin een gulden in de hand, die Lea op het tafeltje legde met een gebaar of ze niet anders gewoon was. En nu waren ze toegelaten en ze stonden even stil en keken rond, hoe ze nu verder moesten, maar daar kwam al een heer op ze af, deftig in het zwart, met een rode bloem, en een spierwit snorretje in zijn blozend gezicht. Ze herkenden hem, het was Frits van den Burg, Anke’s broer, maar hij kende hen niet. Hij leidde ze naar de vestiaire en daar gaven ze hun mantels af aan een mager oud mensje met een wit schort, dat haast nog groter leek dan zij zelf.
„Juffrouw Meinen, de baker!” fluisterde Lea en ze knikte onder het verdergaan nog eens naar het oude vrouwtje om, dat eerst verbaasd terugknikte en dan ineens vriendelijk lachte, of ze haar nu pas herkende.
„Rechtop, Lee,” fluisterde Let. „Niet lopen of je dubbeltjes zoekt.”
Lea gehoorzaamde gauw. Liep ze nu toch weer dubbeltjes te zoeken? Ze keek eens naar Let, die was helemaal niet verlegen, die deed precies of ze hier thuis hoorde. Lea bracht het allemaal wel een beetje in de war, zoveel deftige mensen, heren in het zwart, dames in lichte, luchtige japonnen, jongens en meisjes, die wel modeplaatjes leken, en die allemaal elkaar begroetten, praatten en lachten, als vormden ze één grote familie, allemaal samen.
Maar telkens keerde ze zich eens om, om naar Let te kijken, en geen wonder. Mooier dan ooit glansde haar
180