FEEST IN „DE WAAKZAAMHEID"
„Neen, met Let.”
„O juist!”
En ze vloog zo plotseling weg, dat Lea haar verbaasd na staarde en ze rapporteerde haar gewichtig nieuws, alsof ze er met de grootste moeite achter was gekomen.
„Ze gaan, hoor! Ze gaan samen. Ik weet het nu zeker!” „Dank je, dank je wel....” En ongeduldig onttrok Jeanne zich aan haar opdringerig gefluister.
Leida keek op haar neus.
Die middag kwam Wim Wendelaar bij de Sixma’s al koffiedrinken en na de koffie vroeg Jeanne, uiterlijk rustig, ofschoon haar hart hevig klopte:
„Kan ik je even spreken, Wim? Iets vragen meen ik....” „Natuurlijk. Graag.”
„Je vindt het misschien gek van me, of onbescheiden, maar ik vraag het in je eigen belang....”
„Ja.... vraag maar op.”
„Met wie soupeer je morgenavond...?”
Hij kreeg een kleur en keek haar aan.
„Dat weet je wel. Of niet?”
Nu kreeg Jeanne een kleur.
„Ik weet het ook wel,” gaf ze toe. „Ik vermoed het tenminste. Maar Wim, je kunt het niet doen. Denk eens aan, Wim, je moeder is van adel! En haar vader is aan de drank!”
„Wat een zonderlinge tegenstelling. Van adel en aan de drank. Is het één een beletsel voor het ander?”
„Je moet me niet voor de gek houden,” viel Jeanne nu snibbig uit. „Je weet heel goed wat ik bedoel. En ik zeg het je in je eigen belang. Iedereen hier in de stad kent dronken Brons. Iedereen wijst hem na op straat. En dat is haar vader.”
„Is ze zelf ook aan de drank?”
„Hè, wat een idiote vraag. Neen, natuurlijk niet.”
„Wat heb ik dan eigenlijk met die vader te maken?” Jeanne wist zo gauw niets te antwoorden. Wim keek peinzend voor zich uit.
173