DE KLAS VAN TWAALF
„Klein van stuk.... neen, dat vind ik helemaal niet.”
„Hij is toch kleiner dan jij?”
„We zijn precies even lang.”
„Dat heb je gauw ontdekt!”
Ze waren weer gaan zitten. Lea nam de kaarten nog eens op en bekeek ze van voren en van achteren.
„Chique! En kost het vijf gulden?”
„Ja, als je ze koopt, maar jullie hebt nu vrije toegang. Jij en Dolf bijvoorbeeld.”
Lea en Dolf keken elkaar aan.
„Zie jij ons daar samen?” vroeg hij lachend.
„Neen.... niet bepaald”.
„Dus jullie gaan niet? Och neen, natuurlijk niet. Maar het is toch beleefd om ze aan te bieden. Zal ik koffie zetten?”
„Ja, graag.”
Even bleef het nu stil, maar Lea had voortdurend het gevoel, dat er iets gaande was. Ze had Let nog nooit zo gezien. Eerst dat opgewonden relaas, omdat die meneer „juffrouw Schaap” tegen haar had gezegd en daarna plotseling die verslagen toon, waarop ze dat zei: „Och, neen, natuurlijk niet....” Ze kauwde op haar pen en staarde over de tafel voor zich uit....
Dan ineens ging haar een licht op. Let wilde zelf naar het feest in „De Waakzaamheid”? Ze wilde die jongen weer terugzien. En hij haar ook —, hij haar vooral! Daarom had hij gezegd: „We zien elkaar toch zeker in „De Waakzaamheid”.” Nu, maar als Let dat werkelijk wou, dan moest en dan zou het gebeuren, al zou de onderste steen boven komen, al moesten ze alles op haren en snaren zetten. En een mooie jurk zou ze ook hebben, al moesten ze die vader beduvelen waar hij bij stond. Maar ze wilde er niet dadelijk over beginnen, slim, diplomatiek wilde ze te werk gaan!
Let zette de kopjes rond, ze snoven gretig de geurige damp, dan haalde ze uit de kast de schaal met boterkoek, zette die op tafel, ging weer zitten, trok haar atlas naar
168