DE KLAS VAN TWAALF
Lea zelf, ofschoon ze er haar vader wel telkens over hoorde spreken, wijdde nauwelijks een gedachte aan het feest. Ze had een angstige tijd achter de rug: Dolf was tamelijk ernstig ziek geweest, hij had veel te hard gewerkt en veel te schriel geleefd —-, dat laatste om van het geleende geld zoveel mogelijk te besparen, alvast op zij te leggen als eerste aflossing op de schuld. Daarvoor had hij zich het nodige, het nodigste ontzegd. De hele buitengewoon koude Novembermaand had hij in een onverwarmde kamer met zijn overjas aan zitten studeren en zo goed als alleen van brood geleefd. Natuurlijk was dat mis gelopen en de dokter had alles uitgebracht. Zijn vader en moeder waren uit hun dorp in de Achterhoek, gekomen en hadden hem mee naar huis gehaald. En daar was hij toen al gauw weer opgefleurd ■—-, Lea was hem een paar keer gaan opzoeken en elke keer zag hij er sterker uit. Maar de dokter was heel lang ernstig blijven kijken en nu pas had ze een brief gekregen, die haar werkelijk gerust stelde; de dokter was eindelijk tevreden en hij mocht weer, langzaam-aan in den beginne, aan de slag. Maar eerst zou hij, van Donderdag tot Maandag, bij hen komen logeren!
Lea was de koning te rijk, en die Woensdagmorgen op school vertelde ze dadelijk alles aan Let.
„Morgen komt Dolf! En nu had ik gedacht, als jij tenminste kunt, dat je dan vanmiddag bij mij moest komen eten, dan kunnen we vanavond vast samen vooruit werken voor Maandag.”
Want Lea dacht er niet aan, te gaan „slabakken”, nu ze „bijna-half verloofd” was; ze wilde op tijd in de vierde komen en op tijd haar akte halen.
„Kun je vanavond?”
„Ja,” zei Let. „Moeder moet toch adressen schrijven. En moeder wil zelf niet graag dat ik dan de hele avond zo stil bij haar zit.”
Let’s moeder verdiende er de laatste tijd een centje bij met adressen schrijven op circulaires, prijscouranten, con-
162