FEEST IN „DE WAAKZAAMHEID"
Maar Nel had daar een hard hoofd in. Ze vond de poëtische voortbrengselen nogal erg klapperman-achtig. „Ja,” zei Door. „Ik vrees dat je gelijk hebt. Telkens als ik zo’n lang vers van hem krijg, met van die lange, dreunende regels, heb ik neiging om de schaar te pakken en het in reepjes te knippen. Elke twee regels voor een ulevel!”
Maar ze vond de hele geschiedenis toch erg verdrietig.... Leida Verkruysen draaide in die tijd letterlijk als een hondje om Gien Aben heen. Iedereen wist dat mijnheer Aben voor het grootste deel het feest bekostigde, de prijzen en alles had betaald, zodat de opbrengst „bruto” zou kunnen worden afgedragen aan het comité —-, en Leida vermoedde dat Gien nu ook wel de beschikking zou hebben over kaarten. Thuis bij haar dachten ze dat ook.... „Maar ze spreekt nergens over, geen woord,” rapporteerde Leida.
„Dat begrijp ik best,” vond Ma. „Ze wil de anderen de ogen niet uitsteken en ze kan ze natuurlijk niet vragen. Ze hoorden er ook niet bij. Maar voor jou is het wat anders.”
Leida en haar ma vergistten zich: Gien had helemaal geen kaarten. Haar vader had ze haar niet gegeven, en zij had ze niet gevraagd. En had ze er gehad, ze zou er zeker geen aan Leida Verkruysen hebben gegeven. Ze had nooit veel van Leida gehouden, maar zeker niet sinds de dag na Lea’s verjaardag, toen Lea haar alles had verteld, waarom ze zo boos was geweest toen met het poesje en waarom ze haar helemaal van het begin af had ontweken. Gien had die dag voor het eerst een kijk gekregen op Lea’s moeilijkheden, en veel in Lea’s gedrag van al die jaren was haar toen duidelijk geworden. Maar een blijvende toenadering had het gesprek, hoe hartelijk ook, toch niet gegeven —, in de grond verschilden hun naturen te veel, en dan, Lea had immers een vriendin, Lea had Let. Gien had begrepen dat die twee haar missen konden, en zich teruggetrokken.
161
De Klas 11