FEEST IN „DE WAAKZAAMHEID"
lamp, en er zijn schilderijen, en een spinet zouden we óók moeten hebben. Hoe komen we daar allemaal aan?” ,,Maar beste man!” riep Wendelaar geestdriftig. ,,Je staat er vlak voor. Laten we naar binnen gaan en die man vragen of hij ons het een en ander verhuren wil....” Ze waren met zeven, en er werd besloten dat drie als afgevaardigden naar binnen zouden gaan, de vier anderen alvast langzaam oplopen naar de familie Sixma terug, want het begon tijd voor het weggaan te worden. Koos Sixma, Wim Wendelaar en het ene meisje gingen naar binnen.
De winkel bleek van binnen zo ruim en zo vol mooie dingen, dat ze even overlegden of ze hun vraag wel zouden durven doen. Verhuurden ze hun boeltje in zo’n zaak?
„Wel ja, natuurlijk!” fluisterde Lenie Cramer, al geprikkeld bij de gedachte, dat zij haar zin niet zou krijgen! Maar daar was mijnheer Schaap al en keek vragend van de een naar de ander, maar stoorde ze niet in hun overleg en wachtte geduldig, de handen op de toonbank, tot Wim Wendelaar het woord nam.
„Kijk eens, meneer, we komen hier met een enigszins eigenaardig verzoek....” En hij vertelde wie ze waren en hij zette hun plannen uiteen, en hoe ze op de gedachte van het Beethoven-tableau waren gekomen.
„En nu zouden we graag van u een en ander willen huren voor die avond.”
De heer Schaap dacht even na.
„Huren...?” vroeg hij dan. „Hoe bedoelt u.... huren?” „Voor geld natuurlijk!” zei Lenie Cramer, een beetje ongeduldig.
Ze was nogal een verwend prinsesje, en deze man leek haar wat traag van begrip. Bovendien was hij toch maar een Jood, dat had ze al gezien.
Langzaam schudde Lea’s vader het hoofd.
„Neen, een verhuur-inrichting heb ik hier niet. Maar ik wil u met alle genoegen alles leenen wat u nodig hebt.
157