DE KLAS VAN TWAALF
„antiekjes” met wat oude boeken en prenten en reproducties, uit het vroegere winkeltje overgebleven. Waren die eenmaal van de hand gedaan, dan zou ook het tweede raam zijn mooie etalage krijgen.
De donkere jonge man, niet groot van stuk, maar met een prettig, open gezicht, een paar jaar jonger dan Koos Sixma misschien, die zich zo bewonderend over de etalage had geuit, riep ineens:
,,Ik krijg een inval. Een schitterende inval! Aad Roes-singh! Ik weet raad voor Aad Roessingh!”
,,Hier...? Nu...? Zo ineens...?” lachten de beide meisjes. ,,Echt weer iets voor Wim Wendelaar!”
,,En wat voor een inval?”
Wim Wendelaar wees naar de prent in de minst-mooie etalage. Het was de bekende ,,Beethoven”-prent. Hij stelt een ruime, artistiek-ingerichte kamer voor, waar enkele mensen in aandacht verzonken, zittend of staande, luisteren naar het spel van pianist of violist, in ouderwetse kleding. Een zogenaamd „dodenmasker” van Beethoven hangt naast de piano, en er onder staat: „Beethoven.” „Een tableau-vivant!” riep Wim Wendelaar opgetogen uit. „Ik zie het al zo voor me. Hier, op die bank tegen de muur, die man met de baard, dat zou Raaf kunnen zijn en het meisje Lenie Cramer.... en die daar verderop, met zijn hoofd in zijn handen gebogen, dat wil ik wel doen, want voor de staande figuur ben ik niet lang genoeg, dat zou jij dan moeten wezen, Koos. Maar de hoofdzaak is, dat Aad Roessingh viool speelt. Hij wil graag iets doen, en hij acteert als een hark, en voordragen kan hij ook niet, en voor de figuratie is hij nog te stijf —, en het zou zonde zijn hem niette gebruiken, met zijn prachtige spel.” „En de piano-begeleiaing?”
„O, dat vinden we wel!”
„Maar er is voor die kamer een hele aankleding nodig ■—, heb je daar wel aan gedacht? Want als we het doen, dan moet het ook mooi zijn, Mooie lappen daar aan de wand, mooie doeken over de divan, en je ziet, er is een grote
156