LbA’S VERJAARDAG
perend. „Het is heus geen scheldwoord. Vader houdt helemaal niet van dat woord Israëlieten. Het klinkt zo boekerig.”
„Wat is eigenlijk precies een Loofhut, wat betekent het eigenlijk?” vroeg Anke.
Lea lachte. „Vraag dat Woensdag maar aan mijn vader! Die kan het je haarfijn uitleggen. Dat, en nog veel meer.” Leida Verkruysen, die op een afstand stond te luisteren, trachtte zich met een schamper lachje houding te geven. In haar hart was ze toch teleurgesteld; Lea had haar niet gevraagd. Ze had er thuis al over gesproken. Ma had haar aangeraden te gaan. Je kon nooit weten waar het goed voor was.
Pa had op het Stadhuis gehoord dat die Schaap, dat eenvoudige mannetje, voor een aardige som geld aan antiek, bezat in dat oude pakhuis en dat rommelige winkeltje. Het waren, bleek achteraf, zulke minne luidjes niet, ze nadden ook heel fatsoenlijke familie. En natuurlijk, had ma gezegd, zouden die Jodenmensen vreselijk gevleid zijn, als Leida bij hen aan huis wilde komen. Zo waren ze nu eenmaal. Zo’n beetje plagen en honen, dat telden ze niet, dat slikten ze wel, dat waren ze gewoon. Ze had zich juist voorgenomen alles goed af te neuzen, wat daar voorvallen mocht —-, en nu sloeg het wurm haar over.
Jeanne had haar even erg geplaagd, maar je zoudt zien, die was natuurlijk toch geïnviteerd. De Sixma’s hoorden immers tot de „grote lui”.... al was Jeanne dan niet zo’n „Gouden Kalf” als Gien.... Ja, dat was een succes geweest, dat „Gouden Kalf”! Zo maar ineens was het haar ingevallen die morgen, toen ze het Jodenkind daar als een hondje had zien kwispelen en draaien om Gientje heen. Misselijk gewoon.... ’t Had haar verbaasd dat ze Zaterdag zo was uitgevallen, om dat poesje.... maar natuurlijk had ze haar nu een extra-lief invitatiebriefje geschreven. Al dat gedraai en gekruip van de laatste weken had immers enkel en alleen die verjaarpartij tot bedoeling gehad. Maar Gien zou wel gek zijn als ze ging, na wat er
143