DE KLAS VAN TWAALF
was ze mooi, zoals ze daar lag, met dat blosje en het losgespreide, stralende haar.... mooi ja, en lief ook, maar zó zielig, zo niet te zeggen zielig, dat Lea de tranen in haar ogen voelde prikken. Met haar mooie haar en haar fijne gezicht in die grauwe, uitgezakte stoel, in die kale kamer.... zó kaal.... was er niet weer iets uit verdwenen, dat er voor een paar dagen zijn plaats nog had? Ze keek eens rond.... ja, ze miste iets, maar wat?... Daar viel haar oog op een donkere, lege plek van het verschoten behang.....daar had iets gehangen... en o, ze wist het, en o,
dat was vreselijk.... hun mooie, oude, vergulde zonnetjes-klok... bijna hun laatste waardevolle ding.... nu ook al weggebracht.... naar de lommerd.... of verkocht.... of in ruil gegeven voor een vordering.... och, de mooie klok.... de mooie, lieve klok....
Er kraakte iets in de rieten stoel. Lea veegde haastig haar ogen af.
„Wie is daar, zeg...? Hoe laat is het...? Welke dag...?” Ze vroeg het allemaal zó verwezen, dat Lea ineens weer lachen kon.
„Hier is Lee, het is Zondagmiddag, het is drie uur....” „Kom je mijn huiswerk brengen?”
„Wel neen. Maar we zouden immers de briefjes schrijven voor Woensdag.”
„O ja; gezellig.”
Ze richtte zich op en eer Lea er op verdacht kon zijn, stond ze overeind, greep een stok, die aan de tafel hing gehaakt en strompelde naar de ronde tafel.
„Dat valt je mee, hè?”
„En of.”
Lea had intussen het touwtje losgepeuterd en het doosje met de invitatiekaarten uitgepakt. Samen zaten ze nu bij de tafel.
„Is jullie Loofhut al klaar?”
„Ja, en hij is zo prachtig.”
„Dat zal wel. Ik verlang er al naar hem te bekijken.”
In haar ogen verscheen een hunkering naar het vrienden-
134