DE KLAS VAN TWAALF
pakje? Rosé met zilveren randjes? Mag ik ze zien? Let zit in de achterkamer. Moeder is in de keuken.”
,,En wat waren jullie aan het doen, dat je me twee keer liet bellen?”
„O, Bart was aan iets heel moeilijks van de bloementafel voor moeder bezig. Hij wordt zó prachtig. Je zou erop zweren, van een echte timmerman.”
„Mag ik misschien even kijken?”
,,Ja, graag! Kom maar mee.”
Bart voorop, dan Lea, Corrie achteraan, liepen ze de trappen op naar Barts kamertje, een tamelijk naargeestig hokje, bijna zonder meubels, met een kale plankenvloer, waar onder het open, gordijnloze raam de brede timmer-tafel stond met het zware, soliede gereedschap, dat hij van zijn grootvader had geërfd. Daar droomde hij zijn heerlijke jongensdroom, zijn droom van geluk: met eigen handen zou hij mooie, nieuwe meubels voor moeder maken, tafels, stoelen,, kasten, alles wat moeder maar verlangen kon. Ze hadden zoveel gezellige, mooie dingen gehad ■—, maar het was gaandeweg alles uit huis gedragen, verkocht, beleend, verkwanseld, tot ze nu zelfs geen vloerkleed meer bezaten. Maar Bart zou moeder alles vergoeden, niet dat verlies alleen, maar elk verlies en elk verdriet. Als hij maar eenmaal groot was. Nu was hij nog maar twaalf jaar, een dapper kereltje, tenger maar taai, uiterlijk precies zijn vader, met zijn klein, rond, donker hoofd. En terwijl Lea vol belangstelling de keurig-afgewerkte onderdelen van de bloementafel bekeek, dacht ze aan wat tante Go haar van hem had verteld —, hoe hij zich aldoor oefende in zelfbeheersing, hoe hij altijd juist datgene op zich nam, wat hij onaangenaam vond —, om zijn wil te sterken, zoals hij het uitdrukte! Hij leed heel erg onder zijn vaders wangedrag, en hij praatte over „als ik groot ben” als over een tijd, waarin hij geen andere taak zou hebben dan goed te maken, wat zijn vader had misdreven. Och, als je dat met hun Daaf vergeleek, die vrolijke, verwende rakker van een jongen.
132