LEA’S VERJAARDAG
Let had het haar, heel vroeger, wel eens toevertrouwd: moeder had al één keer bloed opgegeven! Lea had nooit durven zeggen, wat voor haar een vreselijke zekerheid was, dat het met Brons wel in de gevangenis eindigen zou. Maar ze overdacht het vaak, en hoeveel beter het zou zijn, als tante Go dan maar voor die tijd was gestorven, en de kinderen bij hen in huis —, Let en Corrie en Bart, alle drie! Ja, dat zou zeker het beste voor hen zijn en toch moest ze er altijd om huilen.
Nu ook weer.... en haar hele plezier om het mooie weer was weg door al die trieste gedachten. Ze gooide ze met geweld van zich af. Ze wilde vrolijk kijken, opgewekt schijnen, juist daarom immers zagen ze haar zo graag komen.
Wat een vreemde gedachte •—, als je nu dat huis van hen daar tussen de andere zag staan — die glimmende deur met het glanzende koperen bordje ,,J. W. Brons” -—, en aan weerszijden de ramen, twee links en een rechts met de nette, blanke gordijnen ■—, alles zo gewoon, precies als de andere huizen.... en dan te weten wat een angsten of er verborgen zaten achter die glimmende deur, die keurige ramen.... En terwijl ze, de straat in lopend, langs de rij eendere huizen keek, moest ze denken aan al de akelige en al de prettige dingen, die er in al die huizen achter gesloten deuren en dichte gordijnen verborgen zaten.
Nu was ze er, en ze trok aan de bel, één forse ruk, en een klein klingeltje achteraan. Dan wisten ze dadelijk dat zij er was. Ze hielden zich soms ,,niet thuis”, de stum-perts”, ze durfden niet altijd opendoen, als ze rekeningen verwachtten en er was toch immers geen geld in huis. Maar ook nu bleef het even stil en ze herhaalde haar schelsignalen. Ah, daar kwam Bart de trappen af, ze herkende zijn parmantige stap en Corrie holde achter hem aan, zodat ze tegelijk de straatdeur bereikten.
,,Dag Lee. Leuk dat je komt. Gaan jullie nu de briefjes schrijven? Zitten de kaarten en de enveloppen in dat
131