ALLERLEI WEDERWAARDIGHEDEN
achteruit gaan zitten in zijn stoel en had zijn bril op zijn voorhoofd geschoven en had gevraagd:
„Van Praag...? Van Praag...? Welke Van Praag kan dat zijn? Zou dat ook familie kunnen wezen van die Van Praags, die destijds tegenover ons gewoond hebben.... voor we hier kwamen wonen?”
Moeder was gaan lachen. „Vader ontdekt weer familierelaties!”
Want dat was een van vaders hebbelijkheden. Hoorde hij een naam, dan moest hij er dadelijk allerlei ingewikkelde aan- of bloedverwantschappen aan verbinden. Meestal klopte het helemaal niet, maar ditmaal....
„Vraag hem eens of hij niet Dolf heet,” had vader tegen haar gezegd. „En of zijn moeder niet Mietje Heilbron heet van zichzelf.”
„Och, vader, dat kan ik hem toch niet vragen.... Ik ken hem pas.”
Maar de volgende keer had ze het toch gevraagd, in het vrije kwartier op de speelplaats.
„Heet u misschien Dolf en heet uw moeder Mietje Heilbron van zichzelf....”
Dat stom-verbaasde, lachende gezicht!
Vader had intussen ditmaal eens gelijk gehad: hij heette inderdaad Dolf en zijn moeder heette Mietje Heilbron. Toen moest hij natuurlijk weer weten, hoe zij aan de namen kwam en ze had verteld wie ze precies waren en waar ze woonden. En toen ze nu die dag wilde zeggen, bij het weggaan: „Dag meneer” —, had hij geprotesteerd: „Neen, nu je weet hoe ik heet, nu moet je me ook zo noemen.” En ze moest het meteen zeggen: „Dag Dolf.” Een paar avonden later was hij bij haar thuis komen theedrinken en nu kwam hij geregeld! En hij leende haar boeken over methodiek en over zielkunde en hij was zo knap, hij had de hoofdacte al, en de acte Frans en de acte Duits en hij leerde voor de acte Engels en hij zou zeker eenmaal schoolhoofd worden.... maar nooit een saaie suffer, o neen, helemaal iemand zoals mijnheer Siegenbeek. En
119