DE KLAS VAN TWAALF
rooskleurige bril,” lachte Tine. Ze stonden op de straathoek- ,,Nu, tot morgen, hoor! Jij moet het woord maar doen.”
,,Neen, jij,” ijverde Lea. ,,Jij staat het meest in de gunst.” „Zou je heus denken?” vroeg Tine blij. „Geloof je heus dat hij mij aardig vindt?”
„Ik geloof het niet alleen, ik weet het zeker.”
„Van wie weet je het?” vroeg Tine nieuwsgierig.
„Ja.... van wie zou ik het weten?” En Lea kreeg een kleur. „Van...?”
Lea knikte lachend en ze scheidden.
Ja, Dolf had het vanmorgen juist toevallig nog gezegd, dat mijnheer Kroon zoveel op had met „Schimmetje”. En Dolf moest zelf ook maar een goed woord doen voor Nel. Wat hadden zij en Tine het toch allebei getroffen.... zijzelf natuurlijk nog heel, héél anders, nog veel, véél heerlijker....
Gekke mijnheer Kroon, die eerste ochtend, toen hij haar bij Dolf in de klas bracht! Ze kende Dolf helemaal niet, maar ze vond hem wel dadelijk héél knap, met die leuke tintelende ogen en dat aardige zijige zwarte snorretje. Hij leek een beetje op de vader van Door, maar veel jonger en veel knapper natuurlijk. Die gekke mijnheer Kroon! „Pas jij maar op je hart, Van Praag!”
Natuurlijk had ze toen een kleur gekregen. En hij had gelachen. Mijnheer Kroon sprong altijd zo grappig om met de mensen aan zijn school. Dolf was dadelijk heel aardig geweest en ze hadden haar in de klas allemaal een beetje benijd, ze stonden bijna allemaal bij onderwijzeressen of oude onderwijzers, zij alleen bij een jonge onderwijzer. En de meesten kenden hem ook wel van uiterlijk, vonden hem erg knap —, behalve Leida Verkruysen natuurlijk, die had minachtend gezegd: „Een Jood”, maar Anke had haar toen weer eens flink op haar nummer gezet.
Een paar avonden later had ze thuis zo eens over hem gesproken en zijn naam genoemd —, en ineens was vader
118