ALLERLEI WEDERWAARDIGHEDEN
liet haar van alles doen, was haar behulpzaam en wees haar terecht. Ze kon ook zo geestig vertellen uit haar ruim dertigjarige loopbaan als schooljuffrouw, over allerlei kinderen die ze had ontmoet, hun karakters, hun eigenaardigheden, en wat er van ze was geworden. En mijnheer Kroon zelf scheen Tine ook graag te mogen lijden •—, hij zei wel nooit veel, maar hij knikte haar zo hartelijk toe als ze hem tegenkwam in de gangen of op het plein.
„Ellendig toch voor hem, dat hij zijn vrouw niet meer heeft,” zei ze nu tegen juffrouw Schnabel.
„Ja, want ze had hem net zo hard verwend als de kinderen. Ik kwam er wel eens aan huis. Het leek daar precies....”
Maar Tine luisterde niet meer....
Wie kwam daar in de verte aan, met snelle, driftige stap, zodat je dadelijk zien kon, dat er iets moest zijn gebeurd? Was dat Nel van Zanten niet...? Ja, het was Nel. En nu ze naderde.... wat zag ze er toch vreemd uit, wat had ze toch...? Je zou haast zeggen: één vuurrode en één doodsbleke wang....
„Wat zie je daar toch, Tine?” vroeg juffrouw Schnabel, bemerkend dat Tine niet luisterde.
„Nel van Zanten, juffrouw. Een meisje uit onze klas. Vindt u goed, dat ik even naar haar toe ga? Er is iets met haar gebeurd, ik zie het van hier.”
„Ga gerust je gang, hoor.”
Ze bleef zelf vol belangstelling op een afstand staan kijken en de kindertjes hielden gehoorzaam halt.
Tine haastte zich naar Nel.
„Wat is er, wat heb je...?”
„Hoe kom jij hier...7”
Tine knikte naar juffrouw Schnabel en de klas.
„Wat is er gebeurd...?”
„Ik ben weggelopen.... Hij heeft me een klap in mijn gezicht gegeven....”
„O...! Hoe durfde hij.... Jou...!”
115