ALLERLEI WEDERWAARDIGHEDEN
hem wou komen spelen. Verbeeld-je! Ze deed het natuurlijk niet, maar zó waren ze nu al met haar, na een paar middagen.
Jeanne luisterde naar het relaas met een spottend lachje, maar Gientje, argeloos goed van vertrouwen, ging op Leida’s verhalen gretig in. Ze vond zelf het lesgeven ook zo heerlijk, ze had nooit gedacht dat het zó prettig kon zijn. Ze was ineens opgeleefd. Misschien werd ze later toch gewoon onderwijzeres. Waarom eigenlijk niet? Waarom mocht je geen werk kiezen, dat je prettig vond, ook al waren je ouders toevallig rijk? En ze wist al precies hoe ze het aanleggen zou: ze zou afstand doen van haar salaris, dat kon dan tussen de anderen op de school worden verdeeld!
„Och wurm,” schimpte Jeanne, maar toch nogal goedig voor haar doen, en zelfs een beetje vertederd, want die Gien was nog net een klein kind. „Och wurm, dat mag toch immers niet. Dat is toch tegen de wet.”
„Hé, wat gek,” vond Gien. „En als iedereen op die school het nu goed vindt?”
„Hoor eens Gien,” ijverde Leida. „Jeanne zal het heus wel weten, want haar pa is notaris!”
Maar Jeanne was vandaag voor geen familiariteit te vinden. Ze haalde met een spottend lachje de schouders op en Leida droop af.
Met Door was natuurlijk al dadelijk de eerste week iets geks gebeurd. Die had de kindertjes van de tweede klas een spookverhaal verteld op zo’n ijselijke toon en met zulke meeslepende gebaren, dat de schapen hadden zitten rillen in hun bankjes en géén van allen naar huis had gedurfd om vier uur. Het was eerst een hele consternatie geweest, maar ten slotte had mijnheer Dubbeldam het nogal gemoedelijk opgenomen en haar als „straf” alleen opgedragen voor het volgend vertel-uur een verhaal te bedenken, waaruit zonneklaar zou blijken dat geen spoken bestonden en waarin kinderen, die erin geloofden, voor de gek werden gehouden.
113
De Klas 8