DE KLAS VAN TWAALF
„Is het heusch waar...?” vroeg Lea weifelend, want je wist nooit precies wat je aan Jeanne had. „Is hij heus een vrouwenhater?”
„Dat komt er voor Nel toch helemaal niet op aan,” snibde Leida. „Nel is toch immers al lang voorzien. Dat weet de hele wereld. En ze keek tartend naar Door, die altijd veel gauwer „hapte” dan Nel, die bovendien de geschiedenis van Nel en Dick Muntendam wereldkundig had gemaakt, maar Door luisterde niet, ze keek bezorgd voor zich uit.
Leida zou wel eens gelijk kunnen hebben. De directeur zou Nel zeker de prettigste school niet geven. Tussen die twee werd de verhouding hoe langer hoe slechter. Dat was in de eerste klas al begonnen, en het was toen al van weerszijden ernst geweest, geen gekibbel van een „leraar en een leerling, die „een pik op elkaar hebben”.
Het ging hard tegen hard. Nei verdroeg al moeilijker zijn verwaandheid en zijn hoge toon, en hij ergerde zich al meer aan haar kalme zelfstandigheid. Nel was niet „brutaal”, Nel zat niet onder de les te ginnegappen, Nel schopte geen herrie, maar haar hele wezen weerstreefde hem gedurig.
Nel deugde eigenlijk niet voor een school, en zeker niet voor deze, zeer weinig „moderne” school. De andere leeraren waren te goedmoedig of te onbeduidend, om aan haar eigenaardige manier van optreden veel aanstoot te nemen en over het geheel mochten ze haar zelfs wel lijden, want ze was schrander en gaf toch welbeschouwd geen last, maar de directeur scheen er een zeker genoegen in te vinden haar voortdurend te prikkelen, haar trots te wonden met kleine speldeprikjes, met een opzettelijke achteloze onbeleefdheid, als om haar duidelijk te tonen, dat ze „met al haar airs”, toch maar een schoolmeisje was. Tegen Anke en Anna sloeg hij dan, als om Nel nog feller te tarten, een toon aan, als waren ze volwassen dames, liet ze voorgaan, nam zijn hoed het eerst voor ze af en sprak ze soms aan met „u”.
108