ALLERLEI WEDERWAARDIGHEDEN
Hij was een norse, strenge man, zwaargebouwd, met kort geknipt zwart haar, een rood, dik hoofd, en opeengekne-pen lippen. Hij handhaafde in zijn school een ijzeren tucht en was tot in het overdrevene op orde en netheid gesteld. Zelf zag hij er altijd onberispelijk uit in een zwarte jas met dubbele borst, zwarte handschoenen, een zwarte stok. Hij behandelde de onderwijzers als knechten en de kwekelingen als lijfeigenen, ze moesten, als hij het ze commandeerde, boodschappen doen, boeken kaften, potloden punten en was er ergens inkt of water gemorst, dan werd de kwekeling gehaald om het op te dweilen. Waar die dan ook mee bezig was, hij of zij moest onmiddellijk komen.
Dat alles vertelde op een goede dag Door Siegenbeek, ze had het thuis gehoord van een jonge onderwijzer, een kennis van haar vader, die daar bij Jansen op school was en die bij hen soms zijn nood kwam klagen.
„Hij moest mij zo iets eens lappen!” riep Nel, trillend van woede bij de gedachte alleen.
„Pas maar op!” spotte Leida. „Je hebt misschien de meeste kans dat je er geplaatst wordt. Zeg maar niet te veel. De baas zal jou zeker de prettigste school niet geven.” En ze keek zó geheimzinnig, als was ze in alle „staatsgeheimen” ingewijd.
Nel vatte dadelijk vlam.
„O, heeft je pa dat weer zitten bekletsen op het stadhuis? Hè toe, blijf me voortaan met die klérkenpraatjes liever van mijn lijf!”
„Ja, pas maar op!” herhaalde Leida treiterend, maar toch in het nauw gedreven. Want ze had bijna haar mond voorbij gepraat —, ze wist inderdaad meer dan ze weten mocht....
,,’t Is niet te hopen voor je, Nel,” lachte Jeanne. „Ze zeggen dat hij ook al een vrouwenhater is; hij schijnt eens in zijn leven een blauwtje te hebben gelopen en heeft nu eeuwige wraak gezworen aan het hele vrouwlijke geslacht.”
107