WINTER OP DE MOLEN
hemel stond klein en ver de volle maan, maar straalde niet zo klaar als vorige avonden. De mensen hadden het wel voorspeld, de dooi stond voor de deur. Het was zelfs de vraag of het nu nog vroor. Een zilverige wazigheid hing in de lucht. Overal rondom uit de boerenhuizen scheen het getemperd lamplicht, de lantaarns langs het kanaal hingen als een eindeloos snoer van wazige manen in de ijle damp. Rinkelden daar niet héél in de verte de bellen van een ar, draafde daar niet ergens een paard met dampende neusgaten voor een bonte slee vol blijde mensen, die van het genot zo geruisloos te glijden over gladde banen tussen hoge blanke oevers verzonken, in stilte en maanlicht, maar niet genoeg konden krijgen?... In rustig-opgewekt gesprek, echt voldaan over hun middag, schaatsten de meisjes los en luchtig voort. Daarginds bij het verste bruggetje moesten zich pas hun wegen scheiden. Ze genoten de geluidloze schoonheid temidden waarvan ze zich bevonden, die stemde ze zo kalm en blij. Alleen Lien voelde zich ellendig, er kropte een brok in, haar keel, die ze niet wegduwen kon. Die Mol, die goede, hartelijke man! Wat had hij eerst goedig meege-lachen, tot plotseling zijn gezicht verdonkerde, toen hij merkte dat hij werd bespot. O, de gedachte, dat hij haar daarvan verdacht, dat zij ooit die gulle man zou hebben willen grieven — gesteld dan al dat de tekst zelf.... Maar daar viel toch ook niets om te lachen. Als je er de bedoeling van begreep....
Neen, ze kon niet zo met de anderen blijven rijden, meedoen in hun gesprekken, het was onmogelijk.... en ze bukte zich naar haar schaats, alsof daar iets los aan was, en liet de anderen een voorsprong nemen....
Anna merkte het gelukkig niet, die praatte druk met Anke.... ze reden door. Nu stond ze daar heel alléén, in de stilte, in de nevel, in het matte maanlicht. Flauwtjes rozig blonk daar in het Westen nog de kim.... heel, heel ver weg was nu het rinkelen der arrebellen.... Ze hoorde het kloppen van haar eigen hart, ze keek de anderen na,
93