diligence voor Theodoor gereed, muizen zijn ,,stout" omdat ze van onze kaas eten, spreeuwen moeten dood omdat ze van onze kersen snoepen — behaagt het ons, ons met een muisje te vermaken, dan is de kat stout, die het vangt. Er is geen kinderleesboekje, waarin niet beurtelings de kat ,,zoet" en ,,stout" is, in overeenstemming met onze houding jegens de muis, die afwisselt met ons belang. Geen andere onderscheiding dan ons belang, het meest karakterloos en redeloos opportunisme tot ,,beginsel" verheven. Een tijger is een roofdier, de jacht is een edel vermaak, een varken is nuttig, omdat wij het éten en een vos schadelijk, omdat hij anderen eet. Alles is voor ons, van ons, ten opzichte van ons en ten behoeve van ons.
Nederland heeft tachtig jaren den roemruchten vrijheidskrijg tegen Spanje gevoerd — Atjehers zijn opstandelingen. Afschuwelijk toch zooveel bloed als er ,,door de heersch-zucht der machtigen" in ,,oorlogswaanzin" dagelijks vergoten wordt — in Palembang zijn er verleden week een paar opgehangen, de resident en de dokter waren erbij.
Prachtig van die Transvalers, zoo loyaal jegens ons, hun ,,nieuwe vaderland" — kranig die Elzassers, zoo trouw aan het oude — zegt een Engelschman — leelijke landverraders, die Elzassers, laffe overloopers, die Transvalers, zegt een Duitscher. Wie zijns vaders kerk verlaat, is een slecht zoon, wie zijns vaders vaderland getrouw blijft, ook als een ander het in dien tijd veroverd heeft, is een rebel. Wie faalt is een oproerling, wie slaagt een held. Frederik Hendrik draagt den eerenaam ,,stedendwinger" — Napoleon is een overweldiger. Andreas Hofer was een braaf patriot — de Belgische boeren zijn sluipmoordenaars. Onze ,,krijgslist" is hun ,,verraad" — zij zijn onmenschelijk, wij alleen ,,krachtdadig", uit principe; wij verfoeien ,,sentimentaliteit". Duitsche kranten gewagen zonder blikken of blozen van ,,Germaansche fierheid" naast ,,Gallische ijdelheid". Onderdrukken wij anderen dan is dat „uitoefening van wettig gezag" — onderdrukken anderen ons, dan is dat tyrannie.
Wie steelt is een dief, maar zaken zijn zaken.
De oude heer James How, in Galsworthy's „Justice", vindt zijn zoon en medefirmant stapelgek en (terecht) volkomen ongeschikt voor zaken, omdat deze hem aanraadt, voor een
77