lingen van zijn paedagogische theorie is, dat kinderen niet moeten worden gedwongen tot blinde gehoorzaamheid, doch overreed tot het inzicht van hun zwakheid, die de leiding der ouderen van noode heeft. Maar wie, naast het ,,Contrat Social" de ,,Nouvelle Héloise" leest, theorie en toepassing vergelijkt, bemerkt het groote verschil tusschen beide. "Welk een mate van kinderlijken eerbied, welk een ontzag voor de grooten-der-aarde, voor maatschappelijke tradities wordt daar instinctief als fundamenteel verondersteld — wat blijft er dan van ,,Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap" eigenlijk weinig over. Zoo min als Hobbes kon droomen, wat het nageslacht uit zijn grondformule, brouwen zou, zoo min heeft Rousseau gedroomd, wat een later nageslacht met de zijne zou doen.
Denken we aan den toon der correspondentie tusschen Milord Eduard Bromston en St. Preux, den plebejer. AVelk een ontzag voor den ,,milord", dien hij steeds met zijn titel aanspreekt, al is hij zijn dierbaarste vriend. En de brief van Julie over bedelaars en over bedelen. ,,Ze zijn allen mijn broeders," getuigt de brave vrouw, ,,ze krijgen een duit en een boterham."
Het komt nog niet op in Rousseau, dat de toekomstige deelhebbers in de nieuwe maatschappij krasser eischen aan de broederschap zullen stellen dan dien van ,,een duit en een boterham" — en dit geldt ook van de andere restricties; hier doet zich dus weer hetzelfde voor als in de Renaissance, als steeds — dat theorieën een schijn van houdbaarheid en uitvoerbaarheid krijgen, doordat hun ontwerpers ze eigenlijk zelf niet begrijpen en met hun mogelijke consequenties geen rekening houden kunnen. Doch wat er worden moet van de vrijheid, de gelijkheid en de broederschap, zoodra het individu werkelijk is ontdaan van oude tradities en niet langer, met het woord ,,Gelijkheid" in den mond, ,,het teeken van den kleinen man" op het voorhoofd draagt in een onuitroeibaar respect voor ,,milord Bromston" dat toont ons pas de Revolutie in haar later stadium, dat toont ons het respectlooze individualisme van Napoleon.
Anarchie, tyrannie — ziedaar de twee richtingen waarin elk individualistisch mouvement ondergaat en schijnbaar bankroet slaat. De tyrannie, het tyrannieke individu is het oogenblik gunstig, waarin de onduldbaarheid der anarchie in het „prac-
424