tische leven" is gebleken, en zich rondom elke overwegende persoonlijkheid de radelooze onzekerheid der duizenden zwakkeren onmiddellijk kristalliseert in een hartstochtelijk verlangen om voor alles tot rust te komen, dat is: behouden te blijven.
Dat die persoonlijkheid de haat opwekt van zijn individualistische tijdgenooten, is alleszins begrijpelijk: zijn drang om zich te laten gelden, staat eenzelfde mogelijkheid voor anderen in den weg — zoo wekt hij van den groote haat, en van den kleine bewondering, juist als Lorenzo de Medici, juist als zoo menig Renaissance-tyran.
Napoleon is dus niet het triomfeerend ,,genie", zooals de onnadenkendheid welke zich blind staart op eiken vorm van ,,grootheid", zonder die soortelijk te onderscheiden, nog maar steeds beweert, hij is het triomfeerende, ten top gevoerde individualisme, de definitieve overwinning van de persoonlijkheid, die van alle tradities en restricties ontdaan, alles voor zichzelf durft vragen en alles voor zichzelf durft wagen. Het kenmerk van het genie is, wat Schopenhauer noemt de ,,objectiviteit" en wat wij liever zouden willen noemen de afzijdigheid, de doelloosheid van zijn arbeid, die persoonlijke doeleinden verre te boven gaat, zooals dat van Beethoven en Shakespeare gezegd kan worden, ook al is die arbeid een factor in het persoonlijke leven. Het komt ons voor, dat niemand beter dan Shaw in zijn ,,Man of Destiny" Napoleon heeft gekarakteriseerd als een man, die niet essentieel, maar alleen gradueel, niet qualitatief, slechts quantitatief van den gemiddelden grenadier in zijn gelederen verschilt — geen genie dus, maar het Individualisme 't welk, moeten we de anecdote van de kroningsplechtigheid gelooven in letterlijken zin, en anders toch figuurlijk, in zijn persoon zichzelve heeft gekroond.
De ,,tyrannie" van Napoleon kan heden-ten-dage nog alleen een ,,edele verontwaardiging" inboezemen aan philisters, die liever op kleine schaal in het geniep zelf tyranniseeren en nóg liever hun naasten vliegen afvangen zonder dat er een haan naar kraait.
Tyrannie was toch de bestaansvoorwaarde voor een man, die noch door de aanbidding van een volk, noch door den waan van eigen goddelijkheid werd gesteund en gedragen en van wien, zoo hij eenmaal de menschelijke ,,fout" beging van
42Ï>