Rousseau maakt het zijn heldin door een gelukkig huwelijk gemakkelijk, haar besluit getrouw te blijven — maar wat staat, in redelijkheid, de ontbinding van Léonce's diep-ongelukkig huwelijk (in ,,Delphine") in den weg? De persoonlijkheid, die zichzelf een plicht oplegt, kan zichzelf ook van dien plicht ontslaan.
,,Als van weerszijden alles in beproefd, als vrienden en verwanten vergeefs hebben gepoogd, door hun tusschenkomst de partijen samen te brengen, als bij geen van beiden lichtzinnigheid in het spel is, dan moet een huwelijk toch ontbonden kunnen worden" —, ziedaar de noodkreet, waarvoor Madame De Stael van clericale zijde moest hooren, dat ze ,,over de liefde sprak als een bacchante", en waarover de ,,moderne" van onze dagen glimlacht in een zacht behagen om eigen liberaliteit. Het lijkt zoo ,,tam" — en toch was de stap van Madame De Stael naar George Sand weer evenzeer logisch en evenzeer onvermijdelijk als die van Rousseau naar Madame De Staell Waartoe die overredingen van vrienden, die eindelooze pogingen, die verzekeringen dat er geen lichtzinnigheid in het spel is? Kan iemand, mag iemand zichzelf weggeven, kan hij, mag hij instaan voor zichzelf? Immers neenl Welaan, dan is ook het huwelijk een misvatting, welhaast gevoeld als misdaad tegen het eerlijke Ik begaan, waar het immers in zijn opgedrongen trouw tot een leugen wordt.
Aldus toont ook hier de Redelijkheid, als zelfherkenning van het Absolute, haar opheffend karakter en het Dogma zijn volstrekte noodzakelijkheid als levensgrondslag, het Dogma, dat niet overdacht, niet aangeroerd, niet bekeken mag worden — en dat derhalve voor het zedelijk en redelijk onderscheidingsvermogen van alle tijden onduldbaar is. Zoo drijft het Absolute, door middel van dien den redelijken mensch ingeschapen afkeer tegen het dogma, zoo drijft de mensch zichzelf den weg der zelfopheffing op, den weg, dien de mensch, dien het Absolute toch ook weer niet tot het einde toe willen ( = kunnen = mogen) gaanl
Inmiddels is de eerbied, dien Rousseau nog toont voor het huwelijk, voor de ,,deugd" in het algemeen, reeds in wezen onmaatschappelijk, ook waar ze toevallig en schijnbaar samen-
399