Prometheus

Titel
Prometheus

Jaar
1919

Druk
1946

Overig
2ed 1946

Pagina's
624



aardige bevestiging hiervan verschaft ons een uiting van Cicero (Catilina's feilen bestrijder)! waar hij het rechtsleven van de Romeinen met dat van het oude Griekenland vergelijkt — en vol trots constateert dat in zijn land de voornaamsten en edelsten zich met de uitlegging der wetten bezig houden, terwijl dat (naar zijn zeggen) in Griekenland door den minderen man voor een gering loon werd verricht. En ten overvloede legt hij dan nog Crassus de woorden in den mond, dat er voor een oud man geen edeler en waardiger arbeid bestaat dan de bestudeering van het Recht. Dat de Grieken voor het redelijk oordeel ״het beste deel" kozen, zoo ze het filosofeeren prefereerden en de zorg voor het sluwe, platte, kronkelige, altijd over belangen handelende en in belangen vastzittende ״Recht" mèt het andere ״vuile werk" aan den minderen man overlieten, behoeft nauwelijks betoog. En dat elk geslacht, zoo gauw als het maar van collectivistische instincten en van collectivistische wanen is ontdaan, er precies zoo over oordeelt, — maar elk maatschappelijke oordeelt als Cicero — blijkt uit Goethe's verzuchting:

״Es erben sich Gesetz' und Rechte

"Wie eine ew'ge Krankheit fort..."

die overal in de achttiende eeuw (en vroeger in het Humanisme) weerklank heeft gevonden. .Maar wie Cicero's oordeel met dat van Spinoza vergelijkt, die ziet duidelijk welk een afneming van collectieve instincten (en collectieve exaltaties) er reeds zoo lang vóór de Revolutie te constateeren valt!

Soortgelijke misvatting omtrent de eischen en pretenties van de collectiviteit vinden we nog bij Kant terug. In de voorrede van zijn ״Kritik der Reinen Vernunft" beklaagt hij zich bitter over de oppermacht der theologen en over de Overheid, die hen in hunne aanmatigende voogdij over alles en allen voortdurend stijft — hij acht dit opvijzelen van de waarde en de waardigheid der theologie overbodig. "Waarom zoude ik ״God", ״Vrijen Wil", ״Onsterfelijkheid" niet mogen weg-redeneeren — aldus is Kants gedachtengang — waarom zou ik de stupide subtiliteiten der theologen niet mogen weerleggen, daar de goegemeente ook zonder hun ״hokus-pokus" uit de kracht van het spontane geloof aan ״God", ״Vrijen Wil" en ״Onsterfe-

340

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.