rang van redeloos beest, hij ging, blijkens hetzelfde ,,Avis..." op den weg naar de „volkssouvereiniteit" lang niet zoover als bijvoorbeeld reeds Locke zou willen gaan. Ook van een aan den Renaissance-dichter Theodore de Bèze — dezelfde „ketter", ter wille van wien Montaigne bijna zijn Romeinsch burgerschap misliep — toegeschreven, onder den naam Junius Brutus gepubliceerd geschrift, waarin het recht van de Revolutie wordt bepleit, heeft hij niets willen weten.
Het in aanleg reeds anti-maatschappelijke critische instinct brengt dus lang niet steeds tot een bewust anti-maatschappelijk optreden, ja, het kan samengaan met de meest uitgebreide concessies aan de maatschappij of aan de kerk, door een verstandelijk inzicht in de bruikbaarheid van maatschappij of kerk dan wel een (hoezeer ook verzwakt) instinct voor collectiviteit en autoriteit. Duidelijk zagen we dit bij Spinoza. En toch blijkt uit Spinoza's concessies zelf, dat hij de collectiviteit niet meer begrijpen kon en daar, waar hij haar meende te dienen, haar eerder schaadde, door haar instellingen, met de beste bedoelingen, te ontmaskeren als nuttig, terwijl de fictie van hun heiligheid de voorwaarde is tot hun duurzaam en ongerept behoud.
Reeds eerder wezen we op de plaats, die Spinoza het maatschappelijk strafrecht, zonder het „heilig" te achten, niettemin toekent, het vergelijkend met het recht van den mensch, een „dollen hond neer te schieten." V/elke soort „misdadigers" in aanmerking komen om door een in haar wezen ,,misdadige" collectiviteit als dolle honden te worden neergeschoten, laat hij in het midden; het zwaartepunt van zijn ware belangstelling lag elders. Maar de concessie-zelf toont, hoe weinig Spinoza de eischen en ficties van een hechte organisatie heeft begrepen, d.i. hoezeer verzwakt in hem het maatschappelijk instinct vergelijkenderwijs reeds was. Men vindt immers (onder de waardigen) geen rechters, die hun ambt willen gelijkgesteld zien met het neerschieten van dolle honden, de maatschappij heeft tot de uitoefening van haar regelend of bestraffend recht de fictie dat dit „goddelijk" of „heilig", althans „verheven" is van noode en geen enkele waarlijk collectief voelende, die dan ook niet instinctief die fictie overeind houdt, die er niet zelf de dupe van isl Een
339